Artikel voor Eyes on Food, najaar 1999 over

Natuurlijke gifstoffen in dosering en overdosering

Na een paar schandalen wegens mycotoxinen in maïs, graan en wijn, staan deze op natuurlijke wijze ontstane gifstoffen weer in de belangstelling. Verwijderen van mycotoxinen is nauwelijks mogelijk; vernietigen van besmette voorraden beter. Opsporen is in elk geval mogelijk.

Elk kind weet dat vliegenzwammen giftig zijn; alleen de kabouters weten het nog niet, want zij wonen in deze paddestoelen. Dat maakt niet uit, want kabouters zijn onsterfelijk. Maar mensen en dieren zijn niet onsterfelijk. Zij worden ziek van gaan gaan dood aan de gifstofffen, die de natuur zo rijkelijk aanbiedt. Gifstoffen, die gewoonlijk verscholen zijn en zich niet tonen door middel van opvallende kleuren of vormen.

De geschiedenis kent een aantal dramatische epidemieën, zoals bijvoorbeeld het Sint Antoniusvuur in de middeleeuwen, waarbij grote aantallen mensen als ratten stierven, omdat zij rogge en granen hadden gegeten, die besmet waren met het schimmel van Claviceps purpurea, ofwel moederkoorn, dat zich ontwikkelt in de aren van verschillende graansoorten. Dit ergotoxine is niet zozeer een sterk vergif, maar een overdosering kan zowel acuut als chronisch dramatische gevolgen hebben, uiteenlopend van waanvoorstellingen tot het afsterven van ledematen. Meer dan 100 epidemieën zijn bekend met soms tienduizenden doden. De oudst bekende is die van 430 voor Chr. in Sparta; de laatste kwam in 1927 voor in Rusland. Tegenwoordig levert ergotamine in Europa nauwelijks gevaar meer op. Het wordt in de geneeskunde zelfs gebruikt als anti-migrainemiddel dat de bloedvaten vernauwt en voor het opwekken van weeën.

Een ander voorbeeld van de dramatische gevolgen van het eten van besmet graan, in dit geval met trichothecenen was de zogenaamde ATA-ziekte in de tweede wereldoorlog waaraan 10% van de Russische bevolking leed .

Door de oorlog had het graan de gehele winter op het veld gelegen en was daardoor besmet geraakt met de schimmel en het mycotoxine.

In Japan werd tussen 1947 en 1954 meer dan 100.000 ton rijst geïmporteerd, die besmet was met talrijke mycotoxinen. Dit was de aanleiding tot een aantal epidemieën, die vele slachtoffers maakten wegens het eten van de zogenaamde ‘gele rijst.’

Toch hebben epidemieën ten gevolge van het eten van met mycotoxinen besmet voedsel eeuwenlang weinig opschudding teweeggebracht. Het eerste ongeval dat meer van zich deed spreken was de massale sterfte in 1939 bij paarden in de Oekraïne, tengevolge van het eten van vochtig hooi, dat geïnfecteerd was met een schimmelsoort, die verschillende toxinen produceerde. De reden voor de opschudding was waarschijnlijk het belang van paarden voor landbewerking en militaire doeleinden. Het was immers het begin van de Tweede Wereldoorlog.

Het duurde tot 1960 eer de publieke opinie zich echt zorgen ging maken en dat kwam door de massale sterfte onder jonge kalkoenen in Engeland, gevolgd door de dood van duizenden fazanten, eenden en patrijzen. Zelfs vanuit Oeganda en Kenia kwamen berichten binnen over gigantische aantallen dode kippen en kalkoenen en in Californië werd een massale sterfte onder forellen gemeld. Uiteindelijk bleek dat de meeste dieren stierven aan de gevolgen van leverdegeneratie ten gevolge van het eten van besmet grondnotenmeel, dat toxinen van de Aspergilllus flavus bleek te bevatten.

Later bleken pinda’s en pistachenoten toch niet zo gezond als werd gedacht. Nog steeds moeten partijen worden afgekeurd op hoge concentraties van kankerverwekkende aflatoxinen.

WOLF IN SCHAAPSVEL

Hiermee werden voor het eerst de aflatoxinen onderscheiden als de wolf in het schaapsvel. Voeding werd niet alleen bedreigd door zichtbare schimmels, maar ook door onzichtbare schimmels en de gifstoffen, die zij produceren. En daar zijn er nogal wat van; hoeveel weten wij niet, maar mogelijk nemen de in het milieu voorkomende mycotoxinen ook in aantal toe. Dat althans, veronderstellen de deskundigen. ‘De ingrijpende veranderingen in de landbouw sinds 1950 kunnen mogelijk leiden tot een toename van mycotoxinen. En daarom gaat de uitspraak ‘we hebben toch altijd gegeten en we leven nog steeds niet op’, zegt dr. Monique de Nijs, projectleider bij TNO Voeding te Zeist. Ze geeft als voorbeeld de overstap op kort stro rassen, waardoor de schimmelbesmetting, die van de bodem komt, sneller de aren kan bereiken. Een andere oorzaak van de eventuele toename van mycotoxinen is een te krappe vruchtwisseling , doordat steeds op dezelfde plek wordt verbouwd. Hierdoor is de druk van schimmels erg hoog.

De Nijs: ‘De schimmel Fusarium is resistent tegen de gebruikte fungiciden. Wat dat betreft kunnen we blij zijn, dat er gevarieerder wordt gegeten; dus dat er in ons eetpatroon meer accenten liggen op het eten van meerdere granen. Immers, door het eten van steeds dezelfde producten wordt je immuunsysteem steeds meer geprikkeld. Maar echt zorgelijk vind ik de situatie van mensen met glutenintolerantie, die aangewezen zijn op maïs. Fumonisine is een mycotoxine, dat voorkomt in maïs, soms in zeer hoge concentraties. En wat te denken van varkensvlees; varkens slaan ochratoxine A op in hun vet. Dit vetoplosbare toxine is ook voor de (vlees)etende mens bijzonder gevaarlijk. Bij mensen uit omringende landen als Duitsland en Scandinavië zijn hoge concentraties ochratoxine A in hun bloed gemeten.

OMSTANDIGHEDEN MAKEN HET GIF

Schimmels hoeven niet per definitie giftig te zijn. De schimmel Aspergillus flavus, de leverancier van de bij dieren kanker en hepatitis veroorzakende

aflatoxinen is bijvoorbeeld een normaal verschijnsel op maïs, dat wordt verbouwd in het zuiden van de V.S. Maar wanneer de planten te lijden hebben gehad onder erge droogte, gevolgd door veel regen, begeleid door hoge temperaturen, dan neemt de schimmelvorming toe en daarmee de productie van aflatoxinen. Voor de groei van de schimmel moet de vochtigheidsgraad minstens 70% bedragen en voor de vorming van toxinen minstens 30%. De temperatuur voor een stevige toxinenproductie moet tussen 25 en 30° zijn. Onder deze omstandigheden kunnen hoge concentraties aflatoxinen worden verwacht.

Omgekeerd zijn er ook omstandigheden waaronder de productie van toxinen kan worden afgeremd of stilgelegd. De schimmel Penicillium roqueforti, die wordt gebruikt voor de bereiding van roquefort kaas is in staat het toxische P.R. toxine te vormen. De aanwezigheid van zout, de neutrale pH en het gebrek aan voldoende zuurstof tijdens de bereiding van kaas belemmeren de vorming van deze giftige mycotoxinen.

NIEMAND ONTKOMT ERAAN

Toxinebesmetting kan overal toeslaan. In februari 1999 bleek dat broei en schimmelvorming was opgetreden in laat geoogste partijen maïs die wegens de lage temperaturen niet goed geconserveerd waren. Schimmelende maïs bevat mycotoxinen, die de pens- en darmflora bij dieren verstoren en spijsverteringsstoornissen veroorzaken. Maïs, die in Nederland wordt verbouw, is bestemd voor dieren; maïs voor menselijke consumptie wordt vooral uit Frankrijk geïmporteerd. In april van dit jaar berichtte TNO over het feit dat 98% van de monsters van importpartijen het mycotoxine Fumosine B1 bevatte. Dit toxine wordt in verband gebracht met slokdarmkanker bij de mens, schade aan nieren en immuunsysteem en met afwijkingen in het hormoonsysteem. Vooral degenen, die wegen glutenintolerantie meer maïs eten, lopen het risico op meer dan een gemiddelde inname van Fumosine B1.

In juni 1999 werd Nederland opgeschrikt doordat bij drie monsters van partijen graan , waarin overmatig veel DON (deoxynivalenol) producerende schimmels zaten. Deze toxinen veroorzaken braakneigingen en stofwisselingsstoornissen bij dieren en worden dus niet voor niets vomitoxinen genoemd. Bij mensen kunnen zij vermindering van voedselopname, groei en afweer teweegbrengen.

De partijen graan kwamen zowel uit Nederland als uit het buitenland. Aangenomen wordt dat de natte weersomstandigheden van de laatste jaren hebben geleid tot schimmelgroei. Een van de partijen, die gedeeltelijk uit Amerika kwam, bevatte vijf keer de toegestane Amerikaanse norm van 1 mg. per kg.

VOORKOMEN EN VERWIJDEREN

Er zijn verschillende manieren om de aanwezigheid van mycotoxinen te voorkomen en / of te reduceren. Er zijn schimmelwerende producten, die vooral worden toegepast op de Fusarium mycotoxinen, die vaak al tijdens de groei van het gewas worden gevormd. Ook kunnen mycotoxinen worden gereduceerd door bestrijding van insecten, door een betere oogstmethode en opslag en door een beter transport. Vooral de koffiebranche besteedt hier veel aandacht aan. Immers, hoewel er in ons land nog geen regelgeving bestaat op toelaatbare concentraties ochratoxinen, die ook in koffie kunnen voorkomen, is ook bij de voedingsindustrie zelfregulering een aangewezen methode.

‘Maar’’, zegt ing. T. van Osenbruggen, productmanager Mycotoxinen van TNO Voeding te Zeist, ‘’bij zwaar gecontamineerde partijen kan de koffie beter worden geweigerd.’ Preventie door verwijdering, hopelijk gevolgd door vernietiging, is dus in sommige gevallen de aangewezen weg. Van Osenbruggen vertelt over aan ander geval waarin preventie een rol speelde: ‘In Iraanse pistachenoten werden eind 1997 zulke hoge concentraties aflatoxinen aangetroffen, dat de Europese Commissie tot een im portverbod besloot. Natuurlijk werd er vanuit Iran geroepen dat er een politiek spel werd gespeeld ten gunste van de Amerikaanse producenten van deze noten. Maar de waarheid was dat de Amerikaanse pistachenoten inderdaad veel minder aflatoxinen bevatten en dat was te danken aan de oogstmethode, waarbij , in tegenstelling tot Iran, de bodem wordt bedekt. De noten vallen dan keurig op een zeil en blijven dus verschoond van bodemschimmels.’

Op de vraag of mycotoxinen, indien aanmaal aanwezig, kunnen worden verwijderd, antwoordt hij: ‘’Als je al kunt verwijderen, en dit wordt voornamelijk nog maar gedaan met aflatoxinen, komt zoiets toch neer op een reductie. Je houdt dus toch altijd nog contaminaties over. Daarom moet goed in de gaten worden gehouden wat voor niveau eindelijk wordt bereikt. Vaak is het niveau niet voldoende om de hoge kosten te rechtvaardigen.’’

Een voor de hand liggende methode voor verlichting van concentraties mycotoxinen is menging met andere partijen. Dit kan echter een gevaarlijke kwestie zijn, omdat bijvoorbeeld aflatoxinen zich puntsgewijs voordoen in een partij. Wordt er nu bijgemengd, dan is het mogelijk dat dezelfde concentratie in zijn geheel terugkomt in de aangemengde partij grondstoffen. Betere methoden voor verwijdering van mycotoxinen zijn onder meer mechanische sortering, zoals de verwijdering van pinda’s met aflatoxinen of afbraak door middel van verhitting of bestraling. Voor chemische ontgifting komen diverse processen in aanmerking, zoals de alkalinebehandeling voor verwijdering van aflatoxinen uit diervoeding. Van Osenbruggen: ‘Maar algehele overeenstemming over de toxicologische effecten van de diverse processen is er niet en dat er in de praktijk mycotoxinen, aanwezig in de grondstof, tijdens een productieproces zouden verdwijnen, komt meestal neer op valse hoop.’

REGELGEVING SNELLER BIJ CALAMITEITEN

Volgens de Nijs en van Osenbruggen verloopt de Europese regelgeving op het gebied van andere mycotoxinen dan de aflatoxinen traag en de Nederlandse regelgeving loopt ermee in de pas. Sommige landen zoals de Scandinavische landen, Oostenrijk en Zwitserland lopen vooruit op de regelgeving vanuit Brussel en hebben limieten vastgesteld voor sommige mycotoxinen als DON en Ochratoxine A. Maar in Nederland wordt alleen gereageerd bij een calamiteit zoals bij DON in tarwe. Na ontdekking van besmette partijen in juni worden de DON niveau’s scherper dan voorheen in de gaten gehouden en wordt een limiet gehanteerd van een mg. per kilogram.

Dat de regelgeving zo traag verloopt, komt volgens van Osenbruggen onder meer voort uit het feit dat er gevalideerde analysemethoden beschikbaar moeten zijn, die in elk van de lidstaten moeten kunnen worden uitgevoerd. Van Osenbruggen: ‘De besluitvorming wordt verder natuurlijk beïnvloed door de beschikbaarheid van gegevens over de betreffende mycotoxinen. Het verzamelen daarvan is erg veel werk. En de geleerden zijn het ook niet altijd met elkaar eens en dat zorgt voor de nodige tijdvergende discussies. Economische belangen spelen ook een rol. De gedachte op de achtergrond daarbij is dat Derde Wereldlanden door een snelle regelgeving al te zeer gedupeerd zouden worden. De koffiebranche vaart in dit geval een gulden middenweg door een poging te doen te voorkomen dat gecontamineerde partijen tot stand komen.’’

VOEDINGSMIDDELENINDUSTRIE WIL SNEL SCREENEN

Binnen de voedingsmiddelenindustrie bestaat grote behoefte aan mogelijkheden om , tegen zo laag mogelijke kosten, grote aantallen monsters te screenen op de aanwezigheid van mycotoxinen. Volgens van Osenbruggen worden immunoassays het meest toegepast. Het basisprincipe hiervan is de specifieke binding van een antigeen aan een antilichaam, geproduceerd in dieren als reactie op een lichaamsvreemde stof

. Ook de toepassing van biosensoren ziet er veelbelovend uit, vooral als hiermee in de toekomst meerdere mycotoxinen tegelijkertijd kunnen worden gemeten’, zegt van Osenbruggen, ‘ sommige bedrijven doen dat zelf. Maar wanneer een monster positief blijkt, dan is het aan te raden het onderzoek eens over te doen of te laten doen met behulp van een gevalideerde methode’.

Volgens de Nijs moeten controles op mycotoxinen in de eerste plaats het overzicht dienen van de aanwezigheid ervan in grondstoffen: ‘Jongens, kom maar met je spullen. Dan hebben we overzicht. Daar gaat het om.’’

OOK DE BIOLOGISCH DYNAMISCHE LANDBOUW

Omdat mycotoxinen in wezen op natuurlijke wijze ontstaan en niet het gevolg zijn van toevoegingen, kan ook de biologisch dynamische landbouw kampen met het probleem van de aanwezigheid van mycotoxinen in gewassen als gevolg van schimmelvorming.

Dit najaar is een groot Europees onderzoek gestart naar het voorkomen van verontreinigingen op zowel organische als biologisch dynamische teelt. Hierbij worden de hoeveelheden en concentraties mycotoxinen, zware metalen en pesticiden gemonitord. Ook wordt gekeken naar de concentraties van vitaminen. TNO neemt het leeuwendeel van dit onderzoek op zich, onder meer op het gebied van groenten, fruit,graan, olijfolie, koffie, thee, bier, eieren en kip. Het Nederlandse RIKILT-DLO onderzoekt melk, kaas en boter.

Kader:

DE ZIEKMAKENDHEID VAN MYCOTOXINEN

Belangrijke mycotoxinen zijn:

  • de aflatoxinen B1,G1,B2,G2,, alle afkomstig van het schimmel Aspergillus flavus. Ze kunnen voorkomen in graan, rijst, pinda’s, pistachenoten, kruiden, melkproducten. Ze kunnen bij dier en mens de dood veroorzaken en veroorzaken, afhankelijk van de doses, kanker. Sommige worden in het (dieren)lichaam omgezet en uitgescheiden met melk. Vooral AFB1 is zeer giftig. In een klinische studie werd een geval beschreven van een jongen, die uitsluitend werd gevoed met maniok, die 1,7 mg. AFB1 per kg. bevatte en na korte tijd stierf aan leverdegeneratie. Berekeningen wezen uit dat de jongen dagelijks 100 µg AFB1 per kg lichaamsgewicht innam. In Senegal, India en de Philippijnen werd aan kwashiorkorpatiëntjes ongewild met AFB1 gecontamineerde grondnotenmaaltijden gegeven, hetgeen leidde tot verschillende leveraandoeningen bij dagelijkse opnamen van 1 tot 20µg AFB1. Uitgebreide epidemiologische studies in Swaziland,Kenia, Oeganda en Mozambique toonden een verband tussen leverkanker en een verhoogde opname van aflatoxinen uit grondnoten, gierst, maniok, sorghum en rijst aan. Het voorkomen van het Hepatitis B veroorzakende virus kan mede een rol spelen.

    Ochratoxine A, afkomstig van de schimmel Penicillium viridicatum en Aspergilllus ochraeus. Komt voor op mais , koffiebonen, gedroogde bonen, graan, rijst en soja. Omdat dit toxine zo hittebestendig is, wordt het zelfs in gebrande koffie en bier teruggevonden. Ochratoxine A komt voor in wijn. Ochratoxine A in diervoeding veroorzaakt nierafwijkingen bij varkens , is kankerverwekkend en ondermijnt het immuunsysteem. Het wordt tevens beschouwd als een oorzaak van Balkan nefropathie, een ziekte in Zuid-Oost Europa.

    Patuline, afkomstig van de schimmels penicillium, Aspergillus en Byssochlamys. Dit toxine komt voor op appels, druiven en tomaten en is voornamelijk toxisch voor het zenuwgestel, geeft aanleiding tot oedeemvorming en kan kanker veroorzaken bij dieren.

    · . Zearalenon van de schimmel Fusarium graminearum. Komt voor op gerst en maïs. Heeft een oestrogene werking en veroorzaakt bij mens en dier vruchtbaarheidsstoornissen..

    · . Trichothecenen, geproduceerd door de Fusarium schimmels. Deze komen voor op granen. Het gevaarlijke deoxynivalenol, ofwel DON is er een van. DON wordt ook aangeduid met de welsprekende naam vomitoxine. Het veroorzaakt stofwisselingsstoornissen bij mens en dier en is immuuntoxisch.

    · . Fumonisine, geproduceerd door de schimmel Fusarium moniliforme en F.proliferatum, komt met name voor in maïs. Veroorzaakt leukoencephalitis bij paarden, hart- en leverziekten bij varkens. Werkt ook nadelig in op het immuunsysteem van dieren.

    · . Ergotoxine, ofwel moederkoorn, voortgebracht door de schimmel Claviceps purpurea. Komt voor in de halmen van rogge en in mindere mate in andere granen. Overdosering kan wanen en afgestorven ledematen veroorzaken. Kan neurologische aandoeningen teweegbrengen, spierkrampen en afsterving van weefseldelen.

    · . Sterigmotocystine, voortgebracht door Aspergillus versicolor. Komt in Nederland vrijwel uitsluitend voor op kaaskorst. Werkt als aflatoxine, maar is minder giftig. Komt ook voor op tarwe en groene koffie

  • In Nederland bestaat alleen nog wettelijke regelgeving voor het voorkomen in voedingsstoffen van aflatoxinen.

     

    Kader:

    Ook wijn kan schimmelgif bevatten. In mei van dit jaar publiceerde de Consumentenbond een onderzoek naar het voorkomen van ochratoxine A in wijn. Deze toxine kan ook voorkomen in brood, bier, andere graanproducten en koffie. Vooral verschillende Italiaanse wijnen bleken zoveel ochratoxine te bevatten, dat de Consumentenbond zijn lezers aanried om daarvan niet meer dan twee glazen per dag te drinken. Een matigheidsadvies dus, dit keer eens niet uit de hoek van alcoholbestrijders.

     

     

     

     Artikel voor Eyes on Food september 1997 over:

     

     

    De relatie tussen Voeding en kanker

     

     

    Kanker begint bij schade aan het erfelijk materiaal, het DNA in de celkern. De schade wordt echter niet veroorzaakt door een enkele stof, maar moet versterkt worden door andere carcinogenen, eer er daarwerkelijk kanker optreedt. De bepaling van schade aan het DNA, liefst zo vroeg mogelijk in de levensfase, gecombineerd met onderzoek naar schade reparerende stoffen in voeding zijn momenteel de speerpunten van het kankeronderzoek. Vooralsnog lijken dit bij de huidige stand van kennis in de wetenschap hoopgevender methoden om kanker te bestrijden dan onderzoek naar de oorzaak ervan.

     

    Aan de basis van elke vorm van kanker ligt schade, die aan het DNA, aan het erfelijk materiaal in de celkern wordt toegebracht. Deze schade kan van ouder op kind worden overgegeven, door bacterieën, virussen of door straling worden veroorzaakt. De belangrijkste mutagenen zijn echter chemische stoffen in materialen en voeding. Elke chemische stof is overigens non mutageen, brengt dus geen schade toe, tot het tegendeel is bewezen.

    Mutagene stoffen zijn in staat om een mutatie in het DNA van ee organisme te veroorzaken. Zo'n organisme kan een simpel, eencellig organisme zijn, zoals een bacterie, maar ook een zeer complex organisme, zoals mensen en zoogdieren. Wanneer het om een complex organisme gaat, gaan meerdere mechanismen aan het werk om de mutatie tegen te gaan of het DNA te repareren. Daarom hoeft de mutageniteit van een stof niet te leiden tot zichtbare schade. Bovendien zijn er lichaamscellen, die ongevoelig zijn voor schade, omdat ze uitgedifferentieerd zijn. Voorbeelden daarvan zijn afstervende cellen, zoals zenuwcellen en huidcellen. Deze worden, omdat ze aan het einde van hun leven zijn, vanzelf afgestoten. Er zijn ook afwijkende cellen, waarvan de mutatie wordt geërfd en die ziektes teweeg brengen zoals bijvoorbeeld het Down symdroom.

    SOMATISCHE SCHADE

    Celdeling, die tot kanker leidt, kan ofwel worden geërfd of ontstaan door somatische schade, toegebracht van buiten en wel in een vroeger stadium waarop de cel nog niet is uitgedifferentieerd.

    Baarmoederhalskanker bijvoorbeeld is een gevolg van schade aan het DNA, toegebracht door een virus; longkanker is vaak een gevolg van schade, die wordt toegebracht door meerdere chemische stoffen.

    Er zijn overigens ook mutaties ten gevolge van schade, die tot andere ziekten leiden.

    Een zeer belangrijk deel van het kankeronderzoek van deze tijd wordt gewijd aan onderzoek naar DNA-mutaties in tumoren van kankerpatiënten. Met name de plaats van het gemuteerde gen, het stukje in de DNA-streng, waar de verandering is opgetreden, geeft daarbij inzicht in het ontstaan van de ziekte. Dat wil niet zeggen dat bij alle patiënten met dezelfde vorm van kanker op dezelfde plek in de DNA-streng mutaties worden waargenomen. De voedingsdeskundige-epidemioloog Dr.ir.Sandra Bausch-Goldbohm van het Instituut voor Toxicologie en Voeding TNO te Zeist zegt daarover: "Dik tien jaar geleden, maakte ik in de Verenigde Staten mee dat er op het gebied van DNA-schade aan de celkern de ene spectaculaire ontdekking na de andere gedaan. Men verwachtte toen dat binnen een aantal jaren bekend zou zijn welke mutaties tot kanker leiden. Maar dat bleek tegen te vallen."

    ERFELIJK EN SOMATISCH

    Vooralsnog werd een flink aantal oncogenen ontdekt: genen, die allemaal, maar alleen wanneer zij ontspoord raken, tot kanker kunnen leiden. Iedereen heeft deze genen. Er zijn mutaties, zoals bijvoorbeeld in het APC-gen, die worden waargenomen bij een specifieke erfelijke vorm van darmkanker, die optreedt na het veertigste levensjaar. Bij erfelijke darmkanker komen deze mutaties in alle APC-genen voor. Deze genen kunnen echter ook somatisch gemuteerd worden, dus door externe factoren, maar de mutaties komen dan niet in alle APC-genen voor.

    Door welke oorzaken deze mutaties ontstonden is, net als bij andere vormen van kanker niet bekend. Wel weet men dat darmkanker, zowel overgeërfd als somatisch, begint met een mutatie in het APC-gen en vervolgens wordt geactiveerd door mutaties in andere genen. Dat kan gebeuren door herhaalde aanvallen van dezelfde stof of door aanvallen van andere carcinogenen. Dergelijke activaties kunnen plaatsvinden over een periode van tientallen jaren, voordat kanker optreedt. Dit kan overigens alleen gebeuren, wanneer het reparatiemechanisme, dat bij somatische mutaties aan het werk dient te gaan, achterblijft.

    Dit is een belangrijke ontdekking, die geldt voor alle somatische kankers en toepasselijk de ' multi-hit' theorie wordt genoemd: kanker ontstaat door meerdere mutaties in verschillende soorten genen, die elkaar activeren. Een in potentie mutagene stof hoeft daarom nog niet tot kanker te leiden, zolang hij maar niet wordt versterkt.

     

     

    Bepaling van de mutageniteit

    Niet elke stof is mutageen, of het nu een naturlijke of een synthetische stof betreft. Een vooraanstaande test om dit te bepalen is de zogenaamde Ames-test, die sinds een jaar of twintig in zwang is. Hierbij wordt op een bacterie een verdachte stof losgelaten. Het optreden van mutaties als gevolg daarvan laat een bepaalde groeiwijze van de bacterie zien.

    Dr. Bausch:"Het nadeel van deze test is de interpretatie. Een stof, die in een dergelijke test mutageen is, hoeft dat niet bij de mens te zijn. De mens heeft immers zoveel reparatiemechanismen, die een mutatie kunnen repareren. En er zijn ook stoffen, die na meerdere activatiestappen pas mutageen worden. Het nut van de Ames-test bestaat dus alleen om de mutageniteit van toe te laten stoffen zoals bestrijdingsmiddelen, te signaleren. Blijkt de stof mutageen, dan wil dat nog niet met zekerheid zeggen of hij uiteindelijk kankerverwekkend is. Toch zal in de meeste gevallen zo'n stof niet worden toegelaten. Anders is het met stoffen, die we al sinds mensenheugenis gebruiken of tot ons nemen, zoals vele voedingsstoffen. Daarvoor geeft de test te weinig uitsluitsel.

     

    EEN SAMENSPEL VAN STOFFEN

    De discussie, die momenteel wordt gevoerd gaat eerder om de vraag welk samenspel van stoffen in het lichaam tot kanker leiden, in welke mate zij aanwezig zijn en en in hoeveel stappen kanker ontstaat. Zo zitten er in tabak behalve de PAK's enorm veel andere carcinogene stoffen, die gezamenlijk het ontstaan van kanker beïnvloeden. De hoeveelheid van de carcinogenen is daarbij ook belangrijk, net als de regelmaat waarmee zij werkzaam kunnen zijn.

    Inmidels zijn de kankerverwekkende eigenschappen van PAK's onomstotelijk bewezen. Een andere groep carcinogenen vormen de

    heterocyclische amines, die ontstaan bij de verhitting van vlees. Hoe hoger de temperatuur bij de bereiding, hoe meer heterocyclische amines worden gevormd. De onderzoeker Wogan stelde tijdens een lezing aan de Universiteit van Limburg in mei van dit jaar dat met name de hamburger, verhit bij een temperatuur van 275 o C berucht is om zijn mutagene eigenschappen.In gebraden vlees bij een temperatuur van 121-204 o C worden ook de nodige HCA's gevormd. Dit onderzoek staat niet op zichzelf, maar is een van de vele. De Japanners Sugimura, Nagao et al rapporteerden in 1977 al dat het oppervlak van gebakken vlees en vis krachtige mutagenen, zoals heterocyclische amines bevat. Davis et al vonden in 1994 DNA schade bij ratten als gevolg van gebakken en op kolen gegrilled vlees. Momenteel wordt onderzocht in welke mate de HCA's verantwoordelijk zijn voor kanker bij mensen.

     

    VLEES EN VET MOGELIJK NIET KANKERVERWEKKEND

    Leidt de hoge temperatuur bij bakken en grillen van vlees tot de vorming van carcinogenen, zoals HCA's, al langer wordt vlees en met name vet verdacht van kankerverwekkende eigenschappen. Im Japan bijvoorbeeld is borst- en darmkanker toegenomen sinds de Japanners meer vlees zijn gaan eten. Maar is (vet) vlees werkelijk schadelijk. Een belangrijk onderzoek op dit gebied is het promotieonderzoek van Piet van den Brandt en Sandra Bausch. In deze een cohortstudie van TNO en de Universiteit van Limburg, die tien jaar geleden startte, worden de voedingsgewoonten van 120.000 Nederlanders, worden onderzocht in relatie tot levensstijl. Rookgewoonten, beroep, opleiding en medische status worden dus ook meegenomen. Stress als mogelijke kankerverwekker werd overigens niet onderzocht, omdat tot op heden nog geen perfecte meetmethoden voor een grootschalig onderzoek zijn ontwikkeld.

    In tegenstelling tot de uitkomsten van andere onderzoekingen blijkt tot op heden dat vlees en vet, enkelvoudig- of meervoudig verzadigd, niet tot (borst en darm)kanker leiden. Toch is er een 'maar' aan deze uitkomst verbonden. Onderzocht werden namelijk mensen van , die aan het begin van het onderzoek tussen de 55 en 69 jaar waren. Degenen, die tijdens het onderzoek niet aan vlees gerelateerde kanker kregen kunnen echter vóór die tijd al aanzienlijke DNA-schade hebben opgelopen. Een ander voorbeeld: ex - drinkers zouden, zo luidt de hypothese, toch kanker kunnen krijgen ten gevolge van alcoholinname in het verleden.

     

     

     

    VOEDING VERDACHT

    De historie van onderzoek naar de carcinogeniteit van voedingsstoffen kent ongelooflijk veel tegenstrijdige uitkomsten. Uiteindelijk moet de conclusie zijn dat voeding een veel minder grote boosdoener is bij het ontstaan van kanker dan tot nog toe wordt aangenomen. Maar wat is er dan aan de hand? Meer resultaat in onderzoek naar het ontstaan van kanker wordt momenteel geboekt in toenemend moleculair biologisch onderzoek naar DNA schade en de locatie daarvan. Van zeer grote betekenis in dergelijk onderzoek zijn langlopende onderzoekingen, beginnend bij jonge mensen waarbij al vroegtijdig het DNA wordt onderzocht, om zo het tijdstip van schade te kunnen bepalen. Leefstijl en voedingswijze gedurende het oplopen van deze schade moeten dan tot verdere conclusies leiden. Dergelijk onderzoek wordt tegenwoordig steeds meer gedaan. Het zou antwoord kunnen geven op de hypothese dat het begin van borstkanker al begint tijdens de adolescentie, wanneer het borstweefsel nog niet is uitgedifferentieerd en gevoeliger is voor carcinogene invloeden. Bekend is dat bij borstkanker straling , toegediend tijdens de adolescentie, een sterk carcinogeen is, maar ook voeding zou bij het ontstaan van borstkanker een rol kunnen spelen.

     

    VOEDING ALS REPARATEUR

    Voeding is niet alleen verdacht van schade, voeding kan ook helend werken. Uit talloos experimenteel onderzoek is vastgesteld dat bepaalde voedingsstoffen anti-oxydanten zijn, een gunstige werking op de leverenzymen uitoefenen en daarmee DNA-schade kunnen tegengaan. Bausch:" Toch moeten ook kanttekeningen worden gezet bij de heilzame werking van anti-oxydanten in groente en fruit. Beta-caroteen is een bekend voorbeeld voorbeeld. Daarvan is jarenlang gedacht dat het een goed anti-carcinogeen was, maar het nodige vergelijkend onderzoek heeft bewezen dat beta-caroteen in tegenstelling tot de heersende mening zelfs enigszins schadelijk kan zijn. Toch kun je je hierbij voorstellen dat wanneer vroegtijdig met de inname van beta-caroteen werd begonnen, beginnende DNA-schade zou kunnen worden gerepareerd. Om dit hard te maken is echter nog niet voldoende langlopend onderzoek gedaan."

    Maar van groente en fruit staat inmiddels wel onomstotelijk vast dat deze anti-carcinogeen werken en dat is bewezen in honderden onderzoekingen. Volgens de Europese richtlijnen zou een verdubbeling van het gebruik van groente en fruit tot een afname van 7 tot 8% aan kanker leiden.

    Een volgende stap in de ontdekkingen moet zijn de wijze waarop deze voedingsstoffen in staat zijn om DNA-schade repareren en dergelijk onderzoek wordt momenteel ook gedaan. Materiaal, verzameld over langere tijd, speelt daarbij een cruciale rol. Zo worden in het TNO-onderzoek teennagels verzameld, om daarvan het gehalte aan selenium te bepalen. Dit kan als basismateriaal dienen om ook in de toekomst te kunnen nagaan welke rol deze stof speelt bij het tegengaan van kanker. In Europees verband is onlangs een ander cohortonderzoek gestart, waarbij ook bloedmonsters worden verzameld en opgeslagen in een biologische bank, zodat onder meer de vitamine E-concentraties in plasma kunnen worden vergeleken."

     

     

     

    Kader:

     

    OOK KANKER KENT ZIJN ATLAS

    In de westerse wereld en gedeelten van Latijns Amerika, met name Argentinië, komen borst-, prostaat, darm-, pancreas-, baarmoeder- en eierstokkanker veel voor. De Japanners en Chinezen zijn voornamelijk gevoelig voor maag- en leverkanker. Maagkanker komt ook veel voor in gedeelten van Midden- en Zuid- Amerika en in Oost-Europa. Wanneer er geëmigreerd wordt, worden vaak de ziekten van het nieuwe land overgenomen. Wat kanker betreft, loopt van migranten vaak pas de tweede generatie het risico op kanker, die veel voorkomt in het immigratieland. In zulke gevallen spelen omgevingsfactoren en/of levensstijl over het algemeen een belangrijkere rol dan erfelijkheid. Borstkanker is daarvan een voorbeeld: uit dierexperimenteel onderzoek blijkt dat voedselrantsoenering in de jeugd veel minder tumoren geeft. De westerse overvloed zou naast voortplantinsfactoren een oorzaak kunnen zijn van een toenemende borstkankerincidentie onder de tweede generatie immigranten.

     

     

    EEN WET, DIE VERLEDEN TIJD WERD

     

    Een belangrijk Amerikaans wetsartikel is de zogenaamde Delaney Clause. Volgens dit artikel mag geen enkele stof, waarvan in mens of dier is aangetoond dat deze kankerverwekkend is, worden toegevoegd in voeding. De Delaney Clause was gebaseerd op de aanname dat behalve Hodgkin, leukemie en baarmoederkanker, die mogelijk worden veroorzaakt door een virus, alle andere kankers voortkomen uit chemische stoffen. Hoge blootstelling aan Policyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK's), zoals bij inname van tabaksrook, aan heterocyclische aminen (HCA's) door op kolen gegrilled vlees en blootstelling aan bepaalde aromatische aminen gerelateerd aan azo verfstoffen geven een groot risico op verschillende vormen van kanker. Aangezien voeding in essentie ook een samenstel van chemische stoffen is, zouden verschillende nutriënten dus ook kanker kunnen veroorzaken. Deze opvatting veranderde, toen eind zestiger jaren werd ontdekt dat kankerverwekkende stoffen niet direct invloed uitoefenden, maar daarvoor biochemische activatie nodig hadden door middel van andere stoffen. Toen later ook nog bleek dat lang niet alle carcinogene stoffen schade toebrachten aan het DNA en dat daarmee vele verdachte stoffen niet genotoxisch waren, moest de stellingname dat een stof in zijn eentje kanker kan veroorzaken worden verlaten. Hiermee is de Delaney Clause aanvechtbaar geworden. Dit wil overigens niet zeggen chemische stoffen, die geen directe invloed uitoefenen op het DNA op den duur niet genotoxisch zouden kunnen zijn.

     

     

     

    kader: DE RISICOLADDER VAN KANKER

     

    Op de risicoladder van kanker van Doll en Peto, weliswaar uit 1981, maar nog steeds veel gehanteerd, krijgt roken dertig punten, voeding 35 en alcohol 3 punten. Voortplanting en sexueel gedrag krijgen 7 punten. Beroep krijgt er 4, milieuvervuiling 2, industriële produkten en geneesmiddelen beide 1, geofysische factoren 3 en infectie 10 punten.

     

     

     

     

     

     

    Kader:

    OORZAKEN VAN STERFTE AAN KANKER IN DE V.S PERCENTAGEGEWIJS VOLGENS DE AMERICAN CANCER SOCIETY CANCER STATISTICS

     

     

    Tabak: longen, blaas, nieren, bekken en baarmoeder 30-35%

    Tabak- en alcohol: mond, slokdarm 3-4%

    Voeding: veel vet, in hoge temperaturen bereid en weinig groenten, fruit en voedingsvezel: darm, borst, pancreas, prostaat, eierstokken 30 -35%

    Sterk gezouten voedsel en weinig groenten en fruit: maag

    2-3 %

    Alcohol en mycotoxinen: lever, slokdarm 3-4 %

    Bacteriën: maagkanker als gevolg van de Helicobacter Pylori. Hiervan is nog geen percentage geraamd.

    Zonlicht: huid 1-2 %

    Beroepsomstandigheden: blaas, lever en andere organen 1-2%

    Levensstijl en beroep: tabak en asbest, tabak en werkzaamheden in de mijnen, tabak en uranium en bestraling: ademhalingsorganen 3- 4%

    Medische fouten, door een verkeerde wijze van bestraling en verkeerde medicijnen: leukemie 0-1%

    Erfelijk: retinoblastoom (oogkanker), weke delen 0-1 %

    Virus: lymfen, baarmoeder, penis en anus 1-5 %

    Onbekend: lymfen, leukemie, weke delen, baarmoeder 3-6 %

     

     

    Kirsten Emous