Artikel voor Diabetes & het Hart, 2004
![]() |
R.M.Buijs en F.Kreier over hun
hypothese: Intro 1. Ons dag en -nachtritme
is afgevlakt, gemuteerd. Doorlopende snacks en maaltijden tot laat in de avond,
te weinig beweging en te laat naar bed gaan brengen de biologische klok van
slag. Hierdoor raakt het autonoom zenuwstelsel ontregeld. Gevolgen hiervan zijn
centrale adipositas, een verstoorde
werking van lever en pancreas en een verhoogd bloeddruk. Ziedaar: het metabool
syndroom.
|
|
Rond 1840 ontwikkelde de
wetenschapper Claude Bernard de hypothese dat de zenuwen ofwel sensoren zijn, of
motoren, dat de vasomotorische zenuwen de bloedtoevoer regelen, dat de lever
glucose opslaat en dat de pancreas spijsverterings enzymen afscheidt. Hij nam
aan dat deze belangrijke functies werden gecoördineerd door het brein. Charles
Darwin noteerde in 1872 dat een hongerige man
zijn eetlust weliswaar niet verraadt wanneer vóór hem een bord eten
wordt neergezet , maar dat hij zijn (speeksel)klieren niet kan
bedwingen. Daarom nam hij aan dat het brein
het lichaam bestuurt door middel van wilsafhankelijke en wilsonafhankelijke
zenuwen. Andere onderzoekers als Harvey
Cushinh en William Raab ontdekten 50
jaar later dat een injectie met pituitrine in een van de hersenventrikels de
vetopname door de lever activeerde. Cushing beëindigde dit proces door
lesies aan te brengen in het centraal of het perifeer zenuwsysteem.
Alle onderzoekers waren op zoek naar het bewijs van de coördinerende rol
van het brein bij de energie homeostase. Maar
onderzoek aan de hersenen is, wegens de compacte structuur ervan, moeilijk en de
ontdekking van de hormonen en hun krachtige effecten in de eerste helft van de
twintigste eeuw, vestigde vooral de aandacht op de endocrinologie. Pas recent
wordt weer onderzoek gedaan naar de rol van de neuronen bij de metabool
gerelateerde signaaloverdracht tussen hersenen en lichaam. Zulk onderzoek wordt
gedaan aan het Nederlands Herseninstituut, het
LUMC, het AMC en TNO Leiden. Dit onderzoek en de eruit voortkomende hypothesen
maken onder meer een einde aan de wetenschappelijke overtuiging dat de
vetstofwisseling in het lichaam voornamelijk door hormonen wordt geleid. Onderhuidse vetopslag in de buik,
ofwel centrale adipositas, behoort, met hypertensie,
een te hoog LDL, een te laag HDL, insulineresistentie en een verhoogd
bloedglucose tot het metabool syndroom, het voorstadium van diabetes. Hierbij
spelen tientallen soorten hormonen een rol. Hormonen brengen hun receptoren
overal in het lichaam tot expressie. Zonder aansturing zou dit een chaos worden.
Volgens de onderzoekers heeft het autonoom zenuwstelsel een sturende rol bij
zowel de vetverdeling binnen het lichaam als
bij de regulering van bloeddruk en bloedglucose.
Neuronen leveren hun boodschap
doelgericht af aan daartoe uitgekozen weefsel. Dit communicatienetwerk coördineert
de overgang van het lichaam van de actieve naar de rustperiode en andersom. Bij
de voorbereiding voor een actieve periode stijgen de cortisol en bloedglucose
spiegels vlak
voor het wakker worden. Dit wordt gecoördineerd door het autonoom zenuwstelsel.
Het ene deel ervan, het sympatisch zenuwstelsel, regelt de actieve periode
(fight, fright and flight) en het
parasympatisch zenuwstelsel regeert over de rustperiode. In de actieve periode
is de hartslag sneller, de bloeddruk hoger en de doorbloeding van de
skeletspieren groter
dan in de rustperiode, wanneer hartslag en bloeddruk dalen. In die fase is het
de beurt aan het parasympatisch zenuwstelsel, grotendeels gevormd
door de nervus vagus, dat de anabole functies regelt:
rest and digest. In de rustperiode wordt de
vetopbouw georganiseerd. Dat er een duidelijke connectie bestaat tussen
lichaamsvet en het autonoom zenuwstelsel toonden de onderzoekers aan. Uit de
literatuur was al bekend dat sympatische activiteiten voor vetafbraak zorgen.
Het was annemelijk om te veronderstellen dat de parasympatische activiteiten vet
opbouwen. Maar deze hypothese moest worden onderbouwd. Bij ratten werden de sympatische
zenuwbanen, die naar bepaalde buikvetkussens liepen, onderbroken en werden de
vetkussens ingespoten met een tracer, die door de zenuwbanen naar de hersenen
werd getransporteerd. De route kon uitsluitend via het parasympatisch stelsel
gaan en de tracer werd inderdaad teruggevonden in de motorische kernen van de
nervus vagus, onderdeel van het parasympatisch zenuwstelsel. Hiermee was de
connectie tussen vetweefsel en het autonoom zenuwstelsel aangetoond. Vervolgens
werden zowel in het buikvet, als in het onderhuids vetweefsel met een
verschillende stof ingespoten. Uiteindelijk kwamen beide stoffen weliswaar in
dezelfde hersenkern binnen de hypothalamus terecht, maar in verschillende
groepen neuronen. Het bleek dus dat buikvet en onderhuids vet in contact staan
met verschillende groepen hersencellen. In een volgend experiment werd
dit keer de parasympatische vezel doorgeknipt. Vervolgens kregen de dieren
glucose en een hoge dosis insuline toegediend. Toch nam de opname van glucose in
het gedenerveerde stuk vetweefsel met eenderde af in vergelijking met het
intacte stuk. Door uitschakeling van het parasympatisch stelsel werd vetweefsel
dus insulineresistent. Insulinedeficientie is een van de
verschijnselen binnen het metabool syndroom en diabetes type 2; het gaat daarbij
bovendien altijd
samen met intra-abdominale vetzucht, maar
ook met een verhoogde kans op hart- en vaatziekten. Niet alleen de vetverdeling,
maar het totale metabool syndroom en DMT2
zouden dus hun oorsprong hebben in het autonoom zenuwstelsel binnen de
hypothalamus in de hersenen. Buijs: ‘Een verstoord dag- en
nachtritme brengt een verandering in de hersenen teweeg. Dit onderzoek zijn we
begonnen, uitgaande van de biologische klok, die zijn ritme oplegt aan ons
lichaam. Als je je daar niet aan houdt, verstoor je die functie. Daardoor kan de
biologische klok je niet goed voorbereiden op de volgende dag. Vervolgens wordt
misschien het hormoonritme ontregeld, waardoor de glucose, die in het bloed
circuleert niet wordt verbrand, maar omgezet in vet. Uiteindelijke is je hele
metabolisme niet meer in een goed activiteit-inactiviteitspatroon geregeld. Maar
andersom kan ook. Wanneer door een of andere oorzaak de biologische klok binnen
de hypothalamus in de hersenen wordt verstoord, kan hierdoor het dag- en
nachtritme worden ontregeld.’ Felix Kreier vult aan: ‘Over
het algemeen heeft onze biologische klok altijd goed gefunctioneerd. Tot aan de
industriële revolutie en de uitvinding van de elektriciteit en de welvaart. Het
systeem functioneert analoog aan dag- en nachtsignalen via de ogen, maar ook via
het metabolisme. Het reageert op energieverbruik via signalen van de zenuwen en
spieren; die horen s’nachts actief te zijn en ’s nachts inactief. Verschuift
die activiteit, dan is het verschil tussen dag en nacht al kleiner. Deze ontregeling wordt verergerd
door een grotere inname van calorieën, ook buitenshuis en tussendoor en later
op de dag. Het patroon van de biologische klok vervlakt hierdoor nog verder en
weet niet meer hoe laat het in metabool opzicht is. Dit is mede een verklaring
voor een grotere kans op diabetes bij degenen, die laat in de avond eten. Dus op
tijd eten, een goed dag – en nachtritme werkten samen voor een goed afgestelde
biologische klok.’ Met de ontdekking van de
connectie van verschillende groepen neuronen tussen de hersenen en lichaamsvet,
wordt tevens een verklaring aangereikt voor de gunstige effecten van bewegen op
obesitas, het metabool syndroom en ook op diabetes type 2. Buijs vertelt over
een experiment waarbij obese vrouwen gedurende enige tijd een lichamelijk
oefenprogramma deden. Na afloop van de proef bleken de deelneemsters geen
gewicht te hebben verloren, maar wel bleek het vet 40% meer perifeer inplaats
van centraal verdeeld. Tevens was de
insulinegevoeligheid van de vrouwen met 40% gestegen. Ruud Buijs: ‘Dat veel eten en
weinig bewegen leidt tot obesitas en hart- en vaatafwijkingen, weet iedereen.
Maar wij hebben de link gelegd naar de hersenen en geven aan dat er een serie
argumenten bestaat voor de rol die de hersenen daarbij spelen en dat op het
moment dat de hersenen die coördinerende rol niet meer uitoefenen, je een
dissociatie van die functies krijgt. Voor degenen, die daarvoor
gevoelig zijn kan dat diabetes of hypertensie met zich meebrengen.’ Ook de link tussen essentiële
hypertensie en ontregeling van de biologische klok is al onderzocht binnen het
Herseninstituut. Opvallend was dat bij al de onderzochte personen met
hypertensie de biologische klok minder actief was dan die van de controlegroep.
Buijs: ‘Net zulk onderzoek willen we nu bij diabetes patiënten doen. Als onze
hypothese klopt, zou je na hun overlijden moeten kunnen vaststellen dat bij hen
de functionaliteit van de biologische klok is veranderd. We zijn het onderzoek
al aan het voorbereiden in samenwerking met verschillende instituten buiten
Nederland. ’ Ouderdomsdiabetes De verstoring van het dag- en
nachtritme als gevolg van te weinig lichtprikkels zou mede een reden kunnen
zijn, waarom, vóór het metabool syndroom toenam wegens obesitas, gemeend werd
dat diabetes vooral een ouderdomsziekte was. Kreier: ‘Bij veroudering werkt de
de biologische klok minder ritmisch; dit zou de link naar diabetes kunnen
leggen. Wel kan die activiteit gedeeltelijk worden hersteld door je overdag aan
veel licht bloot te stellen.’ Ook de verminderde aanmaak van melatonine als
gevolg van een vervlakking van het ritme van de biologische klok zou kunnen
worden beïnvloed door lichtimpulsen èn door melatonine. Een ontregelde biologische klok
kan niet zorgen voor een zodanige daling van de bloeddruk dat het lichaam ’s
nachts tot rust komt. Kreier vertelt over een onderzoek van een van zijn collega
Frank Scheer, gepubliceerd in het blad “Hypertension”. Deze gaf het
nachthormoon melatonine aan hypertensie patiënten: ‘Na een aantal weken
daalde hun bloeddruk op een schaal, vergelijkbaar met een anti bloeddruk middel.
De invloed van het slaappatroon
op diabetes bleek uit een onderzoek onder een grote groep Japanse
fabrieksarbeiders. Kreier: ‘Ontregeling van hun slaappatroon had een grotere
invloed op diabetes dan alcohol en roken en uit een ander onderzoek onder
studenten zag je al na drie weken een ontregeling in de stofwisseling optreden
bij de groep die laat naar bed ging en laat opstond. Als zoiets lang doorgaat
kan dat tot schade leiden.’ Buijs voegt eraan toe: ‘Boeren
met diabetes type 2 zie je niet
vaak. Hun ritme is: beweging, vroeg op en vroeg naar bed.’ Literatuur. Felix Kreier, Ajda Yilmaz,
Andries alsbeek, Johannes A.Romijn , Hans P.Sauerwein, Eric Fliers en Ruud
M.Buijs. Hypothesis: Shifting the Equilibrium From Activity to Foods Leads to
Autonomic Unbalance and the Metabolic Syndrome. Diabetes vol. 52.november 2003.
|
|
Artikel voor Diabetes & het Hart, 2003
![]() |
Juliette
Janson over Werkt
obesitas een toename van de β-cel massa in de pancreas in de hand, bij diabetes neemt
het β-cel oppervlak juist af. Compensatie vindt nauwelijks of niet plaats. Niet een te geringe nieuwvorming van eilandjes zou het hoofdprobleem zijn bij
diabetes type 2, maar β-cel apoptose. Juliette Janson van
het Karolinska Instituut in Stockholm deed hiernaar
onderzoek.
|
|
Er is nog weinig bekend over de groei van de β-cel massa
als compensatie bij insulineresistentie. Volgens Jack Leahy,
verbonden aan de afdeling voor Endocrinology,
Diabetes and Metabolism van de Universiteit van Vermont, hebben wetenschappers
zich tot nog toe te veel geconcentreerd op de eilandjes van Langerhans
afzonderlijk, maar te weinig op de β-cel massa. Toch speelt deze een grote
rol; na pancreotectomie tot zelfs 90% bij ratten
bijvoorbeeld, blijkt dat er al na vier weken geen verschil meer is in de omvang
van de β-cel oppervlakte in de pancreas van de geopereerde dieren in
vergelijking met ratten, bij wie geen operatie aan de pancreas heeft
plaatsgevonden. Ook
bestaat er een relatie tussen leeftijd en obesitas en
de grootte van de β-celmassa. In een onderzoek van Thomas Jetton, waaraan Leahy ook
meewerkte, werden insuline resistente, niet diabetische dikke ratten vergeleken met slanke ratten. Al
binnen 5 weken na de geboorte werd bij obese ratten
een toename van 33% van de grootte van de individuele β-cellen
geconstateerd en na 10 weken een toename van 38%. Significante toename van het
totale aantal eilandjes en β-cel clusters bij de dikke ratten wees op een
versterkte β-cel neogenese. Echter,
werkt obesitas een toename van de β-cel massa in
de pancreas in de hand, bij diabetes is het omgekeerde het geval. Dr.ir. Juliette Janson van de afdeling Moleculaire Geneeskunde aan het Karolinska Institutet te Stockholm, heeft
meegewerkt aan een aantal onderzoeken naar de afname van het β-cel
oppervlak bij mensen met diabetes type 2. Ook Janson
vond in haar onderzoeken verschillen tussen mensen en knaagdieren - zo wordt na
een pancreotectomie bij mensen, het merendeel van hen
diabeet. Knaagdieren echter herstellen van een pancreotectomie
door de verloren β-cel massa te regenereren. Daarbij komt dat proefdieren
gewoonlijk op jongere leeftijd worden onderzocht, hetgeen
vergelijkingen tussen het regenererend vermogen bemoeilijkt. Dit
was de reden waarom Janson naar materiaal van
menselijke proefpersonen zocht. Janson: ''Dat vonden we onder meer in de omgeving van de Mayo Clinic te Rochester, Minnesota (VS), waar
een hoge gemiddelde BMI veel voorkomt onder de lokale bevolking. Onder deze
bevolking zijn veel ziekenhuismedewerkers, die een grote therapietrouw tonen en
dat werkt door op de anderen. Een deel van de lokale bevolking gaat jaarlijks
voor een checkup naar het ziekenhuis, waar onder meer
het nuchter bloedsuikergehalte wordt gemeten. Na
overlijden krijgt een deel een autopsie. Bij
de niet-diabetici resulteerde obesitas in een toename
van 50% van het β-cel oppervlak. Anderzijds werd bij zowel de obese als slanke diabetici 60%, respectievelijk
40% minder β-cellen aangetroffen ten aanzien van niet diabetici. Bij
degenen met een verhoogd glucose was ook een afname te
zien van het β-cel oppervlak, hetgeen het vermoeden bevestigt dat verhoogd glucose een voorstadium van
diabetes is. Janson: '' Van hen weten we niet of het β-cel
oppervlak eerst is toegenomen en dit later is gevolgd door een afbraak, of dat
de toename, zoals in obesitas plaatsvindt, achterwege
blijft. Obese mensen, die geen diabetes krijgen,
zouden daartegen beschermd kunnen worden door de toename van β-cellen,
maar er kunnen ook andere beschermende factoren aanwezig zijn.'' Een
tekort aan β-cel massa kan volgens Janson en
haar mede-onderzoekers zowel voortkomen uit falen van
de nodige expansie van de β-cellen, als uit afname van de β-cel
massa. Uit
een onderzoek naar de vorming van nieuwe eilandjes vanuit exocriene
afvoersystemen, bleek deze nieuwvorming dezelfde bij diabeten en niet-diabeten. Dus, bij diabeteci
met een tot 60% kleiner oppervlak en aantal aan β-cellen, vond geen
noemenswaardige compensatie plaats door een grotere toename van nieuwe
eilandjes. Een te geringe nieuwvorming van de eilandjes is volgens Janson echter niet het hoofdprobleem bij DMT2, maar wel het
feit dat er te veel afsterven, hetgeen ook in deze
studie naar voren kwam. Janson: ''Dat laatste brengt
ons dichter bij de oorzaak van diabetes.'' IAPP
en apoptose Janson deed tevens onderzoek naar een ander fenomeen, dat
een rol kan spelen bij de apoptose van β-cellen
bij diabetes. Dit is het islet
amyloid polypeptide (IAPP),
waaruit ook het amyloïde is opgebouwd. Het islet amyloid
komt, weliswaar in geringe mate, ook voor bij mensen, die geen diabetes hebben.
Omgekeerd is het niet altijd aanwezig bij type 2 diabetes. IAPP wordt samen met
insuline door de β-cellen geproduceerd. Menselijke IAPP aggregatie zou
β-cel apoptose kunnen veroorzaken via membraanschade. Hoe
hoger de insuline productie, zoals plaatsvindt in de stadia voor diabetes, hoe
hoger de locale concentratie IAPP. Janson: “Die hoge concentratie IAPP en wel in een vroeg
stadium van DMT2, zou een probleem kunnen zijn voor de β-cellen. IAPP kan
als aggregaat tussen de momenten van afscheiding en afzetting als islet amyloïde al toxisch zijn
voor cellen. Dus nog vóór het grote fibrillen heeft gevormd. Cellen kunnen tot
celdood worden aangezet door kleine stukjes IAPP buiten en binnen de cel, want
het kan ook binnen de cel neerslaan. Dat betekent dat er, wanneer alles goed
gaat, een mechanisme zou moeten bestaan om deze neerslag binnen en buiten de
cel tevoorkomen. Degenen met diabetes hebben mogelijk
een minder efficient mechanisme. Sommigen menen
echter dat alleen glucosestress al kan leiden tot apoptose,
zoals aangetoond in recente studies van
onder meer Zaitsev et al. Maar de werkhypothese voor het
ontstaan van apoptose bij diabetes blijft de kwetsbaarheid van cellen voor IAPP. Of
IAPP tegen een achtergrond van verhoogd glucose of een verhoogd
vetzuurgehalte mogelijk nog toxischer is, willen we
verder onderzoeken.” Therapie
voor het instandhouden van β-cellen Om
de β-cel op te peppen worden nu nog vaak sulfonylureumderivaten
ingezet . Hoewel wordt gedacht dat deze
middelen de β-cel zou kunnen uitputten, is hard bewijs dat SU-derivaten op den duur tot β-cel verlies zouden
leiden, (nog) niet gevonden. SU-derivaten hebben
echter geen effect op insulinegevoeligheid. Dr.
Bastiaan E. de Galan van de afdeling Interne Geneeskunde
van het Nijmeegse UMC St. Radboud meent dat zowel voor de versterking van
insulinegevoeligheid, als voor de stimulatie van de insulinesecretie door de
β-cellen, de thiazoledinedionen rosiglitazone en pioglitazone kunnen worden
ingezet. De Galan: “ Deze huidige TZD’s geven geen
problemen met de lever. Ook metformin verbetert de
insulinegevoeligheid en daarmee de opname van glucose. Beide
middelen kunnen worden ingezet om de bètacellen wat meer rust geven, waardoor
deze langer in stand kunnen worden gehouden. Maar omdat de β-cellen
niet meer in aantal kunnen toenemen, en meestal op den duur afnemen wordt het
spuiten van insuline uiteindelijk onvermijdelijk, met name
bij patiënten bij wie type 2 diabetes op jonge leeftijd is begonnen.” Een
middel, waarmee hypo’s onder de duim zouden kunnen worden gehouden zou Glucagon-like-peptide (GLP-1)
kunnen zijn. GLP-1, een eiwit in de darmen dat
tijdens de maaltijd de
darmperistaltiek reguleert, doet het verzadigingsgevoel toenemen,
vermindert de glucagonafgifte en stimuleert de
afgifte van insuline. De Galan: “Een
belangrijk voordeel van dit hormoon is dat het alleen werkt als er wordt
gegeten; als het bloedglucose laag is, doet het niets. Insulinestimulatie
tussen de maaltijden blijft door gebruik van GLP-1
uit en reduceert de kans op hypo’s. Het zou dus een heel mooi middel zijn voor
diabetes type 2.” Uit
diermodellen blijkt tevens dat GLP-1 de β-cel
proliferatie zou stimuleren. Omdat GLP-1 erg snel
wordt afgebroken kan het echter niet als tablet worden gegeven. Tijdens de
lopende fase 3 en fase 4 studies worden daarom momenteel pompjes gebruikt.
Tevens wordt gepoogd om met andere middelen de stof,
die GLP-1 afbreekt af te remmen. Omdat GLP-1 uitsluitend de secretie van insuline stimuleert, zou
het geen concurrent van metformin zijn. Omdat het
zonder kans op hypo’s de insulinespiegel
verhoogt zou het mogelijk wel een vervanger van SU-derivaten kunnen zijn, meent de Galan,
die eraan toevoegt dat het middel nog een ander voordeel heeft: ”In tegenstelling tot andere middelen, kom je
er niet van aan, je verliest zelfs 1 à 2 kilogram. Dat is vooral voor degene,
die het consigne krijgen om af te vallen een voordeel. Maar eerst moeten we de
studies afwachten. En ook over bijverschijnselen weten we nog veel te weinig.” B.Roep over Neogenese van β-cellen dichterbij Bart Roep is immunoloog aan het LUMC en doet al geruime
tijd onderzoek naar type 1 diabetes en de ontsporingen, die aan de basis van
deze ziekte liggen. Hij raakt er steeds meer van overtuigd dat
stamceltransplantatie, leidend tot nieuwvorming van β-cellen het ei van Columbus kan zijn voor het genezen van DMT1, en misschien
zelfs DMT2. Roep:
“Naast apoptose is neogenese
is een belangrijk onderdeel van Janson’s onderzoek.
We hebben altijd meegekregen dat de dood van een β-cel onomkeerbaar is,
dat er geen nieuwe cellen zouden kunnen groeien. Maar er zijn inmiddels minstens twee typen voorlopercellen gevonden, die
kunnen meewerken aan nieuwvorming. Een categorie van deze voorlopercellen, de ductale cellen, bevindt zich al in de alvleesklier. Deze
cellen kunnen onder bepaalde condities tot nieuwvorming van β-cellen
overgaan.” Bij
DMT1 heeft neogenese geen kans, meent Roep, want daar
is een afweerproces aan de gang, waardoor nieuwvorming meteen weer wordt
afgebroken. Dat probleem leeft niet bij obese
personen: “ Vandaar dat je bij obesitas zo’n prachtige nieuwvorming kunt zien; er is bij obese mensen duidelijk behoefte aan meer insuline, net als
bij type 2 diabetes, omdat je daar een gebrek aan insulineproductie begint te
krijgen. Anderzijds komt afbraak van β-cellen net als bij DMT1 ook bij
diabetes type 2 voor. Maar omdat het afweersysteem niet is ontspoord, zou ook
daar nieuwvorming mogelijk moeten zijn.” Bij
DMT1 is stamceltransplantatie de eerste voorwaarde voor herstel van de
β-cel massa. Maar dit
heeft alleen maar zin, wanneer ook de ontsporing van de afweer
wordt aangepakt. Een andere manier is isolatie van voorlopercellen uit het
beenmerg of uit embryo’s. Roep: “Uit embryonale cellen kun je spectaculair
grote hoeveelheden stamcellen halen, dat is dus niet het probleem. Het probleem
schuilt in de ethische en maatschappelijke vraag of je hiervoor embryo’s mag
gebruiken. Autologe transplantatie, dus het oogsten van stamcellen van de
patiënt zelf, waardoor afstoting wordt voorkomen is in theorie ook een goede en
misschien ook wel een betere benadering, omdat er minder risico van afstoting bestaat. Maar er
heerst nog twijfel of deze
voorlopercellen op de gewenste manier kunnen uitgroeien tot volwassen
β-cellen in de eilandjes van Langerhans.We
denken van wel, want we kunnen uit beenmergstamcellen tenslotte
ook zenuwweefsel, kraakbeen, gladde hartspiercellen en levercellen kweken. Ook
onze collega onderzoekers uit andere landen vragen zich af hoe effectief die
β-cel zal zijn. Als we dat weten zou voor obesitas
en DMT2 dit probleem zijn opgelost.” Hoewel
ook bij DMT1 neogenese bestaat, wordt deze teniet
gedaan door het afweersysteem. Op de vraag of β-cel transplantatie zin
heeft bij DMT1, antwoordt Roep dat het al mogelijk is gebleken om bij
DMT1donorcellen te laten accepteren door de patiënt. In Brussel en Leiden is al
aangetoond dat door β-cel transplantatie 15 personen insuline onfhankelijk zijn geworden:
“Deze therapieën blijken bovendien heel goed in staat om ook het
ziekteproces van diabetes te laten blokkeren. En dus is de
kraan gesloten en kun je gaan dweilen: je kunt zonder gevaar voor afbraak
nieuwe β-cellen gaan leveren.” Dat
laatste zou, theoretisch gezien, misschien niet eens meer nodig zijn bij een
normaal functionerende afweersysteem, meent Roep: “ Immers, we weten nu uit de
studies van Juliette Janson ook, dat, omdat neogenese mogelijk is, nieuwe β-cellen ook een kans
zouden kunnen krijgen. Maar daarmee is nog niet de vraag beantwoord of de
β-cel massa groot genoeg zal zijn en het type β-cel voldoende
functioneel om voldoende insuline te (blijven) maken. “ Kirsten Emous, 2003
|
|