Artikel voor ‘’Labinstrumenten’’. Voorjaar 1999.

 

 

Harry Wagter versus Jan Dols over

Het wegdoen van oude systemen

 

Eens houdt het op. Eens komt er een eind aan het onderhoud van oudere, vaak specifiek ontwikkeld automatiseringssystemen. Dat meent de ervaren automatiseerder Harry Wagter. ' O nee', zegt Dr.J.L.S. Dols, verantwoordelijk voor de laboratoriumautomatisering van het AMC, 'het laatste wat wij moeten doen is een systeem weggooien.'

Ir. Wagter stond al aan de wieg van de eerste CAD ontwerpprogramma's en was tot voor kort hoogleraar bouwinformatica aan de Bouwkundefaculteit van de TU Eindhoven. Momenteel werkt hij als projectmanager, programmamanager en contractmanager voor de IT-omgeving bij Brighthouse Management B.V.. Hij is zeer vertrouwd met de productieomgeving waar hij gestandaardiseerde systemen aanpast aan de specifieke eisen van zijn klanten.

Dr. Jan L.S. Dols is klinisch chemicus en tevens gespecialiseerd in de automatisering van de laboratorium van het Amsterdams Academisch Medisch Centrum. Hij is overtuigd voorstander van het behoud van systemen, zij het dan dat hun functie wordt aangepast aan de actuele eisen. Als zodanig is hij het niet eens met Wagter. Wagter: 'Sommigen verklaren me voor gek, anderen zijn het weer voor 100 % met me eens.'

Volgens Wagter is 'de eenzame informatietechnicus, die de afgelopen tien jaar zelf zijn systeem kon blijven onderhouden, uit de tijd. Immers, de complexiteit van de systemen neemt toe en de huidige IT-omgeving is er een waarin vele processen met elkaar samenwerken. Geen stukje van het productieproces, inclusief de ondersteunende automatisering kan in die omgeving op zichzelf staan. Daarom zou over het geheel genomen elke organisatie zich veel strakker moeten gaan houden aan een planmatige en modelmatige benadering van zijn bedrijfsprocessen en de daarbij aansluitende automatiseringssystemen. De techniek daarvoor bestaat. Daar liggen de problemen dus niet. '

'De problemen liggen 'em in de onderhoudsplannen en modellen die je voor zo'n integratie nodig hebt. Maar elke keer als je dat vertelt, beginnen de mensen met nièt te luisteren', zegt Wagter en licht toe: 'Steeds weer blijkt dat de bedrijven alles weten van wat in het vak zelf speelt, dus wat te maken heeft met installaties en onderhoud, want daarin zijn zij specialist. Maar men met de integratie van de productie met de informatisering is het nog vaak tobben. Dat heeft vaak een financiële oorzaak. Zo gauw er integraal moet worden nagedacht en zo gauw dit grote investeringen betreft, dan valt men stil. En dat is vooral het geval wanneer bij een integrale benadering oude investeringen moeten worden weggegooid. Bijvoorbeeld wanneer je te maken krijgt met een upgrade in de technologie terwijl de oude investeringen nog niet eens zijn afgeschreven. Dan heeft men problemen en vindt men het lastig om in te schatten hoe de informatica zich zal ontwikkelen.'

Bolwerken van conservatisme

Het succes van grote softwarehuizen bestaat er, zo meent Wagter, uit, dat zij hulpmiddelen aanreiken, waarmee afdelingsoverstijgend kan worden gewerkt. Maar de echte vraag draait er vervolgens om of het bedrijf die hulpmiddelen wel wil. Immers, het gaat vooral om de inmiddels al 20 jaar oude vraag: wil het bedrijf in nieuwe structuren samenwerken?

Het zou logisch zijn wanneer de automatiseringsafdelingen binnen de bedrijven tot de eersten behoorden, die het belang van integratie inzien, maar volgens Wagter zijn juist deze afdelingen 'bolwerken van conservatisme. Wagter: 'Veel, al langer bestaande automatiseringsinstrumenten zijn vaak gemaakt voor oude, inmiddels vastgeroeste afdelingen. Dat schept belemmeringen voor vernieuwing. In mijn advieswerk dreig ik bijvoorbeeld vaak te verzanden in een variatie op de discussie over mainframes versus decentralisatie. Maar dat is toch echt een discussie die nu wel verleden tijd zou moeten zijn. Het gaat om de huidige productie- en administratieautomatiseringssystemen, die vooral bedoeld zijn om aan te sluiten op bestaande processen. Ze zijn immers ontworpen op aanpassingsvermogen, op flexibiliteit en kneedbaarheid. Deskundigen op het gebied van organisatie en installatietechnieken discussiëren daarom tegenwoordig minder over de techniek dan wel over de vraag hoe je je deze geïntegreerd in een onderneming genstalleerd krijgt.'

Vloeken in de kerk

Wagter heeft het hier over standaardsoftware. Hij meent dat welk bedrijf dan ook met een gerust hart standaard software kan aanschaffen, mits deze aan te passen is aan de eigen specifieke bedrijfsprocessen. Als ultieme consequentie kan dit betekenen dat er afscheid moet worden genomen van de eigen, zelf ontwikkelde en onderhouden software. 'Je moet de rust en de tijd durven nemen om dingen weg te gooien, die er al waren, 'zegt hij.

Voor een klassieke IT-er klinkt zoiets als vloeken in de kerk. 'Maar toch', zegt Wagter, hoe actief je je software bijhoudt en onderhuidt, op een gegeven moment houdt dat op. En dat houdt ook op omdat ook randvoorwaarden zoals apparatuur, programmeertalen, operatingsystemen, op een bepaald moment obsolaat worden. Programma's van tien jaar geleden zijn echt niet meer in de lucht te houden. Die komen nu aan de grenzen van zowel de complexiteit die ze kunnen hanteren, als van hun mogelijkheden en hun uitbreidbaarheid. Ze communiceren bovendien slecht met de buitenwereld. Daar moet je dus afscheid van nemen, zelfs al blijken de afschrijftijden van deze specifieke pakketten veel korter dan ooit was gedacht. Maar dat komt, zoals ik al zei, ook door de dramatisch snelle veranderingen binnen organisaties.'

Standaardsoftware

Volgens Wagter zijn bedrijven ook wegens hun organisatorische veranderlijkheid gediend met standaard software. Dergelijke software wordt voor een bepaalde branche zowel centraal ontwikkeld als onderhouden. Aanpassingen kunnen per bedrijf worden ingevoerd. In totaal dalen de kosten hierdoor aanzienlijk, meent hij en een dergelijke werkwijze is mogelijk voor de meeste bedrijven. 'Maar toch', zegt Wagter, 'weet elk bedrijf argumenten te bedenken waarom het zelf zeer bijzonder is en niet gebaat is bij dergelijke standaard software. Ik sta er vaak van te kijken want meestal verschillen zulke bedrijven pas heel dicht bij het primaire proces, daar waar hun concurrentiepositie wordt bepaald. Ook en vooral de eigen automatiseringsspecialisten verdedigen hun specifieke kennis of eigenschappen met huid en haar.'

Kostbaar

Volgens Wagter is de huidige standaard software zodanig uitgerust dat zij toch ook lang mee kan en dat zij met behulp van geavanceerde hulpmiddelen daar waar nodig kan worden aangepast. Maar omdat, mede door de integratie tussen afdelingen en bedrijven, de complexiteit en daarmee de kwetsbaarheid van de systemen enorm toeneemt, worden de consequenties van mislukkingen steeds groter en daar zit niemand op te wachten. Ook daarom is een de modelmatige- en planmatige benadering noodzakelijk. Wagter: 'Dat is een groot verschil met tien jaar geleden. Toen kon de eenzame technicus zelf een oplossing bedenken voor zijn onderhoudsprobleem. Nu heeft hij te maken met een stortvloed van nieuwe invloeden en veranderingen in een organisatorische setting, die meestal niet erg stabiel is. Om het effect van een Poolse Landdag te vermijden, is houvast aan de grote lijnen nu geboden.'

 

Maar aan het AMC doet men er alles aan de centrale database eindeloos in leven te houden. Ondanks de herhaaldelijke vernieuwingsprocessen. Dr. J.L.S. Dols: 'Eens in de vijf, zes jaar hebben we een compleet nieuwe uitrusting van onze klinisch chemische bepalingsapparatuur voor bloede en bloedproducten onderzoek. We vervangen elk van deze apparaten niet elke zes jaar, maar vernieuwen van tijd tot tijd een module en zo heb je dan eens in de zes jaar nieuwe apparatuur. Mijn probleem hierbij is dat ik er verantwoordelijk voor ben dat alles goed met elkaar communiceert. Daarom ben ik naast klinisch chemicus bijna full time automatiseerder geworden.'

Dols' probleem valt uiteen in twee delen: hoe houdt je alle over de jaren bewaarde patiëntgegevens èn het systeem waarin deze zijn opgeslagen intact, terwijl je de computer toch taken laat verrichten, die er hedentendage van worden gevraag. De databank met gegevens- en uitslagen van inmiddels miljoenen patiënten is het belangrijkste geheugens van het ziekenhuis. Deze databank bestaat al vanaf 1981 en het is ondenkbaar dat dit geheugen tot hersendood zal worden gedwongen door de stekker uit het stopcontact te halen. Integendeel, het geheugen groeit alleen maar; er komen elke dag gegevens bij. Dols verklaart hoe dit systeem toch nog steeds kan worden gebruikt: 'Voor de willekeurige gebruiker van dit systeem verandert er niets. Maar in werkelijkheid is dat niet zo: de software om dit systeem heen is vanaf het begin elk jaar weer veranderd. Er moet immers steeds worden voldaan aan veranderingen in de buitenwereld, zoals andere overheidseisen voor de verrekenstructuur van de bepalingen, een nieuwe vorm van de uitslagpresentatie en nu speelt weer het millenniumprobleem. Daar moeten wij onze programmatuur op aanpassen. Andere veranderingen zijn bijvoorbeeld nieuwe automaten in het lab, die op een andere manier communiceren en toch aangepast moeten worden aan het systeem. We zijn bovendien overgestapt van de programmeertaal fortram op pascal en daarbij is weer van een heel andere opzet van de programmatuur sprake. Van de oorspronkelijke software om het systeem heen, is dus weinig oorspronkelijks meer over, want wij zijn continue in beweging.'

Maar bij die beweging staat de communicatie binnen het Ziekenhuis Informatie Systeem voorop. Immers, met name binnen de ziekenhuiswereld moet de informatie snel kunnen reizen en totale integratie is daar een normaal begrip. Wat dat betreft kunnen sommige productieafdelingen een voorbeeld nemen aan dit totaal geïntegreerde netwerk. Elk van de 20 bepalingsautomaten van het laboratorium van het AMC is via een of meerdere computers gekoppeld aan de centrale database van het ZIS.

Dols: 'Maar dat brengt natuurlijk de nodige problemen met zich mee. Elke automaat heeft zijn eigen besturingssysteem en bij een noodzakelijke update van zijn software of bij vervanging van de automaat, moeten we ook de koppeling met het systeem vernieuwen. Wij gooien oude schoenen dus wel weg, maar we doen dat pas als we nieuwe schoenen hebben.'

Werd op het laboratorium begonnen met 2 p.c.'s en is dat aantal nu uitgegroeid tot 40, inmiddels staat er sinds zeven jaar ook laboratoriumapparatuur op de OK en de IC, welke machines direct gekoppeld zijn aan die van het laboratorium. Met behulp hiervan wordt het bloed van patiënten onderzocht op zuurstofgehalte, hemaglobine, bloedsuiker, het natrium- en kaliumgehalte, kortom, zoals Dols het noemt , het 'frontwerk van een patiënt, die er slecht aan toe is.'

Dols: 'Een laboratoriummedewerker kan zo'n apparaat vanaf zijn eigen werkplek aan en uitzetten of hem dwingen zich opnieuw te ijken. We houden dus in de gaten of hij zich goed voelt, of de uitslagen kloppen en we zorgen ervoor dat alle bepalingen van de IC-arts in het ziekenhuisinformatiesysteem terecht komt.'

Dit gebeurt dus allemaal met in het centrum een geheugen met een databasestructuur, die zoals Dols zegt, zo oud is als de weg naar Rome. Dols: 'Die structuur is gebouwd op onze werkwijze. Je hebt een patiënt en daar zoek je alles bij. In principe zouden we het systeem kunnen ombouwen, maar dat zou een gigantische operatie worden, die bovendien in vol bedrijf zou moeten gebeuren, want in een ziekenhuis kun je niets stop zetten. Toch kunnen we hem niet gebruiken voor het uitlichten van aspecten, zoals: 'wat kosten zeven verpleegdagen van een patiënt met een bepaald probleem op de Intensive Care of wat kost de bloedsuikerbepaling van iemand, die al 20 jaar onder controle is.'

We hebben daarom besloten om voor het beantwoorden van dat soort bedrijfsmatige vragen een andere computer in te richten met een moderne databasestructuur. Noodzakelijke gegevens daarvoor worden via een koppeling met het oude systeem gekopieerd. Het vervangen van het basissysteem en het opnieuw inrichten van een nieuw systeem was waarschijnlijk duurder geweest.

De nieuwe computer is niet ingericht met een individuele zoekfaciliteiten. Daarvoor wordt nog steeds de oude database gebruikt. Dols: 'Ons ziekenhuiscomputersysteem heeft 2000 verbindingen naar allerlei artsenkamertjes en kantoortjes. Die faciliteit van ons oude systeem werkt prima, dus die hebben we gehandhaafd. We houden dus nu twee systemen bij. We praten daarbij over een vader en een kind. De vader is het eerste systeem, waaraan we alles doen om het netjes bij te houden en waaraan inmiddels honderden schijfgeheugens hangen. Voor het extra veiligstellen van de gegevens hebben we een kopie harde schijf. Het kind, het tweede systeem, wordt steeds bijgevoed met de nodige gegevens. Inmiddels zijn er meerdere kinderen voor verschillende doeleinden, zoals voor het maken van grafieken of van röntgenfoto's of beeldschermpresentaties. Met decentrale rekenkracht hebben we immers geen moeite, want met de p.c. kan alles. Als we maar de gegevens kunnen gebruiken uit onze onsterfelijke database.'

Kirsten Emous