Dit jaar is Kirsten Emous gevraagd om de jaarlijkse Jan van Vlijmen-lezing te houden. De lezing wordt jaarlijks georganiseerd door Concern om de herinnering aan hun collega Jan van Vlijmen levendig te houden.
Zie http://www.concern.nl/jvvlezing.htm .
Dames en heren,
In deze tweede Jan van Vlijmen-lezing wil ik het hebben over een natuurlijk,
sociaal fenomeen, een onderdeel van onze samenleving waarvan op een kunstmatige
manier iets speciaals is gemaakt: de mantelzorg. Over mantelzorg is de laatste
tijd nogal wat te doen en toch is mantelzorg van alle tijden. Ook is mantelzorg
nog steeds een van de belangrijkste pijlers van onze samenleving en dat was het
al toen mantelzorg nog geen mantelzorg heette. Zou de mantelzorg wegvallen, dan
raakt onze samenleving ontwricht op zowel sociaal als economisch gebied. Er is
steeds meer mantelzorg nodig, maar er komen steeds minder mantelzorgers.
Daardoor staat de mantelzorg momenteel zwaar onder druk en die druk wordt nog
steeds opgevoerd. De eerste slachtoffers zijn al gevallen. Oververmoeidheid,
ziekte tot aan arbeidsongeschiktheid zijn het gevolg van hun opoffering. Het
wordt hoog tijd dat dit zorgelijke tij wordt gekeerd. Maar daarvoor moeten we
eerst de oorzaken analyseren die ertoe leiden dat een aanzienlijk deel van de
Nederlanders geen of weinig deel van leven meer heeft door de belangeloze zorg
die van hem of haar wordt verwacht.
Om te beginnen wil ik de vraag wat mantelzorg is beantwoorden in al zijn
facetten: de maatschappelijke, de sociaal-economische en de beleidsmatige. Ik
zal daarbij de omstandigheden en ontwikkelingen rond en binnen de mantelzorg
schetsen en ik zal uiteindelijk de vraag stellen of we de term, de benaming
'mantelzorg' niet moeten afschaffen.
Het antwoord op de vraag wat mantelzorg is, is simpel. Mantelzorg is niets meer
of minder dan de zorg voor onze naasten: ouders, partners, kinderen, andere
familieleden, buren, vrienden, noem maar op. Deze naastenzorg kan variëren van
het boodschappen doen voor een zieke buurvrouw tot 24 uur per dag zorg voor de
partner en dat over vele jaren. Voor de discussie is het van het grootste belang
te onderkennen dat mantelzorg niets nieuws is. Mantelzorg is van alle eeuwen,
alleen heette het vroeger nog familiezorg of naastenliefde of gewoon zorg. Of
omzien naar. Want sinds de mensheid bestaat heeft zij omgezien naar haar naasten
en deze beschermd tegen verval en ongeluk. Alleen de mate waarin en de eisen die
aan de verzorgende worden gesteld, variëren met het sociaal-cultureel klimaat
van de verschillende tijdperken.
Naast de traditionele nabuurschap herinneren de ouderen onder ons zich nog wel
opa's en oma's die bij kinderen in huis woonden. Anderzijds bestonden er vroeger
zogenaamde opofferingsdochters, ongetrouwde dochters, die bij de ouders in huis
bleven om tot hun dood voor hen te zorgen. Andere ouderen gingen naar een
rusthuis. Daar kregen ze, afhankelijk van kindertal en sociale contacten,
relatief net zo veel of net zo weinig bezoek als onze ouderen van nu. Als
niemand voor hen zorgde aten ze genadebrood in een instelling. Had je geluk, dan
werd je verzorgd door lieve kinderen, had je pech, dan kreeg je het donkerste
hoekje in huis. Had je als dochter of schoondochter geluk, dan kreeg je een
lieve oude opa of oma in huis die de kinderen sprookjes voorlas. Had je pech,
dan had je in je eigen huis niets in te brengen en zuchtte je onder het juk van
moeder of schoonmoeder of het chagrijn van opa.
Een groot verschil tussen toen en nu is de sterk verminderde afhankelijkheid van
ouderen van hun kinderen. Werd afhankelijkheid van de omgeving bij ouderen
traditioneel als een gegeven beschouwd, onderzoek uit de jaren zeventig en
tachtig bevestigt dat vele ouderen liever zo onafhankelijk mogelijk willen zijn,
niet alleen van de maatschappij, niet alleen van liefdadigheid, maar ook van hun
kinderen. Niet voor niets zijn daarom naar mijn overtuiging de grootste
sociaal-economische verworvenheden in de geschiedenis van de zorg, de invoering
van de AOW en de AWBZ in de vorige eeuw. Hiermee werden de zwakkeren in onze
samenleving minder kwetsbaar.
De invoering van deze sociale wetgeving voor hulpbehoevenden is een vervolmaking
geweest van de ridderlijkheid die zorg dient te zijn. Immers, ridderlijkheid
staat voor bescherming. Naastenliefde en zorg zijn daar ultieme uitingen van. De
sociale wetgeving beschermde ruiterlijk én de ouderen tegen te grote
afhankelijkheid én de mantelzorger tegen overbelasting en uitputting. Zo werden
de contouren tussen professionele en persoonlijke zorg scherper afgebakend. Dat
was goed. Zorg kan elke professional bieden. Maar alleen een bekende kan het
liefdevolle vertrouwde contact geven aan de oudere, die steeds eenzamer wordt in
een zich vernieuwende wereld. Ook de mantelzorger had op zijn of haar beurt het
geruste idee dat er basiszorg was, zodat hij of zij zelf de gebruikelijke
hulptaken kon volhouden. Iemand die zijn moeder moet verzorgen en met haar naar
de dokter moet gaan, naar de orthopedisch schoenmaker, naar de specialist, haar
administratie moet doen, haar boodschappen moet halen en haar was verzorgt, moet
niet ook nog eens haar huishouden doen.
Met deze nieuwe sociale wetgeving was dus geenszins alle zorg afgekocht.
Integendeel. Zoals ik hiermee tevens schetste blijft er, ook als er voldoende
professionele zorg is voor een zorgbehoevende, nog genoeg te doen. Zorg is niet
een baan van 8 tot 5 en vier fulltime eenheden per week. Zorg is voor altijd en
wordt gedaan in de vrije tijd. Of in plaats van betaald werk. Ook de
gepensioneerden zijn niet vrijgesteld. Sommigen komen op hoge leeftijd voor een
24-uurstaak te staan. De zorgbehoevende klokt zich aan het einde van de werkdag
niet uit.
De afgelopen decennia is ten onrechte de indruk gewekt dat de Nederlanders niet
goed voor hun zwakkeren zouden zorgen. Inderdaad zijn in de naoorlogse jaren ook
de Nederlanders behept met het internationaal en eigentijds individualisme,
waarbij introspectie en assertiviteit in combinatie met eigenliefde tot
overleven moeten leiden. Over deze tijdgeest maken ook de twee beschermengelen
op de eerste pagina van De Loden Mantel zich ernstig zorgen.
'Druk?' vraagt de ene engel aan de andere als zij elkaar tegenkomen.
'Ja, steeds drukker,' verzucht de ander.
'Maar,' werpt de ene tegen, 'toch hoor ik de ene na de andere mens zeggen dat je
goed voor jezelf moet zorgen.'
'Precies,' luidt het antwoord, 'dan kom je aan een ander niet toe.'
Toch heeft Nederland altijd zijn eigen menselijke beschermengelen gehad. En nog.
Gaat u maar na: bijna vier van de zestien miljoen Nederlanders heeft in meer of
mindere mate de zorg voor een ander. Deze vier miljoen zijn voornamelijk
volwassenen. Ongeveer de helft ervan zorgt voor ouderen.
Van deze mantelzorgers zorgt eenderde langer dan drie maanden, maar minder dan
acht uur per week. Driekwart miljoen mantelzorgers zorgen langer dan die drie
maanden én doen dat meer dan acht uur per week. Bovenop hun gewone zorgen wordt
steeds meer professionele zorg gestapeld.
En hier wringt de schoen en de eerste pijnplekken zijn al zichtbaar. Het meest
recente onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 2003 wees uit dat
27 procent van de mantelzorgers te moe was om in de vrije tijd iets te
ondernemen en 8 procent werd ziek of overspannen. In de jaren negentig zijn de
eerste mantelzorgers in de WAO beland.
Van de partners is de helft zeer zwaar belast. Een dergelijke belasting strekt
zich vaak uit over jaren en kan noodlottige gevolgen hebben. Mannen of vrouwen
die over hun grenzen zijn gegaan door hun partner met alzheimer jarenlang thuis
te verzorgen, herstellen zich niet meer nadat de ander ten slotte is opgenomen.
Overbelasting door de jaren heen leidt soms ook tot excessen. Zoals de man die
zijn bejaarde vrouw doodt omdat hij niet meer kan. Onlangs stond een schokkend
bericht in de krant. Een oude vrouw had haar zeventigjarige, geestelijk
gehandicapte dochter gesmoord met een kussen. Deze oude vrouw heeft twee jaar
cel gekregen. Kan iemand zich voorstellen hoe ze dag na dag, jaar na jaar,
'achter de voordeur heeft geploeterd', om eens een mantelzorgterm te gebruiken?
Veel afleiding zal ze niet hebben gehad. Hoeveel nachten is zij uit haar slaap
gehouden? Hoeveel aandacht moest ze alsmaar geven? 'Wer nicht verrückt wird,
der ist nicht normal,' zong Hildegard Knef.
Gesteld kan worden dat Nederland zwaar rust op zijn mantelzorgers. Niets voor
niets. Mantelzorgers zijn inderdaad de pijlers onder onze maatschappij.
Mantelzorgers zijn niet de beetje sneue waterdragers van de samenleving;
mantelzorgers zijn sterke mensen. Wie van ons houdt het jaar na jaar vol om
zeven dagen per week te werken of levert jaar na jaar zijn vrije dagen in zonder
in te storten?
Mantelzorgers worden op posters en in brochures vaak afgebeeld als een vrouw van
middelbare leeftijd met een boodschappentas en een fiets. Kortom: een
huismoeder, die, nu de kinderen uit huis zijn, weer tijd heeft voor andere
zorgen. In werkelijkheid combineert tweederde van de mantelzorgers tussen 18 en
65 jaar de zorg met betaald werk. Een groot deel is man. En een groot deel is
alleenstaand en zeker geen beschermde huisvrouw. Velen van hen leveren werk en
inkomen in omwille van de zorg. De helft van de mantelzorgers die hun ouder of
partner naar het verzorgings- of verpleeghuis brengt doet dat omdat ze niet meer
kan. En dan nog worden ze vaak beheerst door schuldgevoel.
Sommige mantelzorgers worden door alle zorg onzichtbaar. Ze lijken op de
soldaten uit het liedje 'Old soldiers never die, they just fade away'. Te moe
als ze zijn geworden, gaan ze nergens meer heen áls ze al tijd hebben.
Gaandeweg verliezen ze hun sociale contacten. Vaak informeert niemand meer naar
hen. Voor de buitenwereld vervagen ze. En wanneer hun beschermeling dan
eindelijk overleden is, vallen ze nogal eens in een gat. Sommigen lukt het weer
om wat sociale contacten aan te knopen, anderen zijn te moe en/of te oud.
Anderen gaan vrijwilligerswerk doen, omdat ze hebben geleerd dat dit voor hen de
enige manier is om te worden gewaardeerd. Een ander gevolg van overbelasting van
de mantelzorger kan zijn een scheuring binnen de familie. De mantelzorger klaagt
dat hij er te veel alleen voor staat. De anderen zeggen dat hij de zorg nu
eenmaal naar zich toe trekt en daarvoor ook nog bejubeld wil worden.
'Ik heb iedereen bij het grof vuil gezet,' zei Annemarie Moen, die in haar zorg
totaal in de steek werd gelaten door familie, vrienden en collega's.
En wat als voor zulke mantelzorgers zelf de ouderdom komt? David van der Sluis
was een van de mantelzorgers die ik voor mijn boek interviewde. Hij was toen 71
jaar; zijn moeder 94 jaar. Van der Sluis komt uit de reclame en pr, deed ook na
zijn 65e het nodige advieswerk, was vier keer buddy, schilderde en wat al niet
meer. Het noodlot sloeg toe, toen zijn vader ging dementeren en zijn moeder
ziekelijk werd.
Van der Sluis is op het moment dat de zorg begint 49 jaar en zit nog midden in
zijn carrière. 'Boodschappen,' zegt Van der Sluis, 'daar begon het mee,
vervolgens moeder wegbrengen als ze naar de dokter of ergens op bezoek ging,
uiteindelijk werd ik een soort gemobiliseerde en gemotoriseerde bediende. Ik
kreeg er steeds meer werk aan en na tien jaar werd het mij te veel. Ze moest
echt opgenomen worden en zo kwam ze in een verzorgingshuis.'
Van der Sluis laat zijn moeder niet alleen. Hij gaat dagelijks langs om de
overgang gemakkelijker te maken en om de eenzaamheid te helpen verdrijven. Maar
als je daaraan begint, moet je wel doorgaan. Immers, eenzame oude mensen worden
gewoonlijk steeds eenzamer. Toen de moeder nog in haar eigen huis woonde, kreeg
ze veel bezoek, maar na de verhuizing naar het verzorgingshuis, liepen die
bezoeken sterk terug en kwam er bijna niemand meer. Ook niet familieleden, die
vier deuren verderop wonen. Van der Sluis denkt dat het de confrontatie is, die
de mensen niet willen. Moeder raakt langzamerhand in een vrij groot isolement en
begint veel verdriet te krijgen, haar bestaan leek zinloos zonder de vele
sociale prikkels die er vóór die tijd nog waren. Van der Sluis besluit om
voortaan elke middag samen met haar te eten.
In die jaren vergezelt hij haar van dokter naar ziekenhuis en het halve uurtje
samen eten is ongemerkt uitgebreid naar drie uur dagelijkse verzorging. Maar die
tijd komt wel vol. Om halftwaalf arriveert Van der Sluis en is moeder terug van
koffiedrinken. Hij vraagt hoe de nacht is geweest. Heeft ze haar pillen gehad om
de nacht door te komen? Dat wordt wel eens vergeten en dan is ze de volgende dag
een wrak. Ze is soms ook van streek als ze door een aankomende
bejaardenverzorgster gewassen en aangekleed wordt, omdat dit haar erg vermoeit.
Daarna begint hij met het opruimen van rondzwervende rommel. Dan doet hij de
afwas, die de verzorging voor hem heeft laten staan. Vervolgens controleert hij
of haar ondergoed droog is. Is het nat, dan moet hij haar luier, ondergoed en
soms ook de bovenkleding verschonen. Vieze broeken wast hij uit in het lavet
omdat de wasserij van het huis deze anders niet meeneemt.
'Ik vind het nog steeds een uiterst gênante zaak,' zegt de bejaarde zoon van de
stokoude moeder. 'Als ik moeder verschoon, sluit ik me routinematig af, ik doe
alsof zij een vreemde is en alsof ik ook een vreemde ben. Ik kan niet wennen aan
de confrontatie met haar lichaam, ook omdat het steeds meer vervalt. Als je
vierentwintig uur per dag in een stoel hangt, dan gaat je lichaam nu eenmaal
achteruit, de huid gaat verplooien, in de plooien ontstaan schimmelinfecties.
Dat is pijnlijk voor haar. Ook omdat dit voor mij iets toevoegt aan de
machteloosheid die zich van mij meester maakt. Ze zegt dan ook: 'Ik kan niet
meer, ik wil niet meer, voor mij is de cirkel rond.' Ik ga daar dan tegen in,
neem een bloemetje mee, lees wat voor uit de krant, doe wat peptalk, net zo lang
tot het leven weer draaglijk is in de wachtkamer die haar leven nu is geworden.'
Van der Sluis moet ook voor zijn moeder opkomen, wanneer zij door
personeelstekorten vreselijk lang moet wachten als ze om hulp vraagt. 'Als
moeder naar het toilet moest, kon het twee uur duren eer er iemand kwam. Als ze
zelf probeert op te staan en erheen te lopen, valt ze ook wel eens. Dan kan ze
ook uren op de grond liggen. Had ze vroeger vaste verzorgenden en leefde ze op
die bezoekjes van enkele minuten, sinds de verbouwing en reorganisatie van het
verzorgingshuis ziet ze soms zes tot zeven nieuwe gezichten per week. Sommigen
spreken of verstaan geen Nederlands of mogen geen handelingen verrichten. Dat
maakt moeder onzeker. Ze is ook bang in geval van nood niet gehoord te worden.
Als ze op de bel drukt, duurt het nog steeds lang tot er iemand komt. Een keer
heeft ze vier uur lang in haar blootje in een postoel in de toiletruimte gezeten
voor er iemand kwam binnenstormen. Ze was toen dagen van slag. Onlangs nog heeft
ze eerst een uur gewacht en is toen van de stoel af gegaan en naar de gang
gekropen. Daar heeft ze een halfuur zitten schreeuwen.'
De techniek laat sinds de verhuizingen te wensen over: 'De alarminstallatie
heeft veel storingen. Wordt het oproepsignaal niet beantwoord, dan gaat die
toet-toet soms twee uur door. Ga daar maar eens naast zitten zonder weg te
kunnen. Dat is op zich al een straf,' zegt Van der Sluis, die overigens vermoedt
dat de verzorging de oproep wel eens welbewust niet beantwoordt.
Niet dat hij dit de verzorging kwalijk neemt: 'Ze hebben hun handen vol door de
vreselijke werkdruk. Soms lopen er op een etage van veertig bewoners maar twee
meisjes rond.' Wel neemt hij de directie de wantoestanden kwalijk: 'Steeds meer
krijg ik het gevoel dat we te maken hebben met een regentenbestuur dat aan het
hoofd staat van een dierenasiel. Deze directie stuurt briefjes rond waarin het
falen van de alarminstallatie wordt toegegeven, maar doet verder een beroep op
de familie. Op schriftelijke bezwaren van het personeel antwoordt de directie
met een standaardbriefje dat zij beter hadden moeten opletten bij de lessen in
communicatie.'
Waar Van der Sluis ook geen begrip voor heeft, is het feit dat toen moeder een
keer opstandig werd, ze door de verzorging werd afgebekt en vervolgens
kalmeringspillen kreeg. En hij zou ook wel eens bij de directie willen
binnenstormen. Hij doet het niet: 'Ik sta er alleen voor, ik weet niet wat ze
met haar doen als ik ga protesteren.'
Van der Sluis heeft soms wel aan overplaatsing gedacht. 'Maar je weet nooit wat
voor gedonder je daar weer tegenkomt. Overal bij ons in de omgeving heerst
personeelstekort. Een vrijwilligster vertelde over een man die zij zes jaar lang
in een verzorgingshuis heeft verpleegd. Ze haalde hem uit bed als hij er om half
twaalf 's ochtends nog in lag. Toen hij eenmaal naar een verpleeghuis ging,
bleek dat hij ondervoed was.'
Van der Sluis vraagt zich wel af welk financieel garen het verzorgingshuis erbij
spint. Verblijf en verzorging van mevrouw Van der Sluis worden weliswaar vergoed
vanuit de AWBZ, maar de nodige zorg krijgt ze niet. 'God weet wat ze aan die
stumper verdienen,' zegt hij, 'ze eet nog voor geen euro op. Aan mij verdienen
ze ook, want ik ben een soort alfahulp geworden. Ik weet precies welke
handgrepen ik moet verrichten om haar een nieuwe inlegger om te doen. Zo meteen
is het ook nog zover dat ik haar moet voeren en verder hoeven we nog maar te
wachten op het moment dat zij geen kracht meer heeft om haar glas water op te
pakken. Ik zal er dan ook nog heen moeten om haar te helpen drinken. Overigens
ben ik al een aantal keren naar het bejaardenhuis gereden om haar avondboterham
te brengen. Dat hadden ze dan vergeten. Ik denk dat ik een behoorlijk deel van
de verpleging naar mij toegeschoven heb gekregen.'
Al is hij alleen, echt alleen is David van der Sluis niet. Als hij thuis is, is
hij met zijn gedachten in het bejaardenhuis en als de telefoon gaat, denkt hij
dat zijn moeder het is. Hij is nooit meer alleen met zijn gedachten. En waarom
zou hij dan op vakantie gaan? Om nog erger te piekeren of het wel goed gaat met
moeder? Dus is hij sinds zes jaar niet met vakantie geweest. 's Avonds valt hij
als een blok op de bank.
Van der Sluis voelt zich een robot worden. Zijn sociaal leven is op de
achtergrond geraakt: 'Bij bestuurswisselingen continueer je je functie niet, dat
blok zorg is zo sterk dat je je opoffert. Ik heb nog één vrijwilligersbaan
over, maar ik weet niet of ik psychisch zo sterk ben om die vast te houden.
Schilderen en beeldhouwen komt er niet meer van.'
En hij wordt alleen maar ouder. Wanneer zal het er wel van komen?
Door alles heen heeft van der Sluis ook nog schuldgevoel. 'Moet ik eigenlijk
niet ook 's avonds naar haar toe?' vraagt hij zich af. 'Daarover zit ik nu elke
dag in spanning.'
En er is meer dan schuldgevoel. Er is wrok.: 'Ongewild belast ze mij met haar
lijden, want ze heeft altijd pijn,' zegt Van der Sluis, 'en als iemand in je
leven lijdt, dan staat die iemand tussen jou en je andere contacten. Ze zit in
je hoofd, ook in je hart, maar voornamelijk in je hoofd.'
Hij weet dat zijn schuldgevoel onterecht is, maar dat helpt niet. 'Het wroet
onderhuids, het deformeert je, het hoopt zich onderhuids op en ik begin er een
beetje bang van te worden. Het zou zich van me meester kunnen maken. Het kan tot
een burn-out komen. Of tot een explosie, zó erg dat ik niet meer de deur van
het bejaardenhuis in durf. Het komt allemaal door die misstanden in de zorg
waardoor je je zo moet uitputten. Je opoffering wordt je gewoon opgelegd, er
wordt tijd van je geroofd, er wordt aan je getrokken. Net als bij een gevangene,
die ook wordt gepakt op zijn tijd, wordt ons onze tijd ontnomen. Daardoor kunnen
we ons eigen beeld niet meer invullen. We moeten daarom goed uitkijken dat we
dat beeld niet omzetten in een soort straf. We moeten ons blijven afvragen
waarom we eigenlijk dat stuk leven moeten afstaan. Weet de samenleving niet dat
we er zijn? Dat zij misbruik van ons maakt?'
Dit waargebeurde verhaal heeft zich twintig jaar lang afgespeeld en niet pas na
de recente tv-uitzendingen over misstanden in het verpleeghuis. In dit voorbeeld
herkennen mantelzorgers zich, omdat ze er altijd wel een deel van hebben
meegemaakt. U vindt erin alle elementen die de mantelzorg voor sommigen zo zwaar
maken: het gevoel altijd tekort te schieten, het gebrek aan professionele zorg,
voortdurende manipulatie van de mantelzorger met beroep op zijn geweten,
overbelasting van de mantelzorger, zowel geestelijk als lichamelijk, eenzaamheid
en er alleen voor staan, de angst voor verzorgenden, die hun ongenoegen over
klachten van de mantelzorger over de rug van zijn beschermeling zouden kunnen
uitleven, angst voor minder zorg als je klaagt, sfeerbedervers als verbouwingen
en reorganisaties. En dan hebben we het nog niet eens over de financiële
situatie van de mantelzorger, waarover ik later iets zal zeggen.
David van der Sluis maakt deel uit van een collectieve nachtmerrie die in de
toekomst nog beangstigender zal worden. Willen we uit de droom ontwaken, dan
zullen we terug moeten naar zijn oorsprong. Bijvoorbeeld het beleid van
afnemende zorg dat zich kon voltrekken over de mantelzorger heen, die weerloos
is door de liefde voor de ander.
'Ik hoop dat je boek ertoe mag bijdragen dat men weet dat een mantelzorger en
zijn familie echt een loden last dragen,' schreef een mantelzorger mij, 'toch
heb ik het met liefde gedaan.' Zoiets is een illustratieve uitspraak binnen de
mantelzorg, net als de term 'mantelzorg is zwaar, maar mooi'. Toch zet hiermee
de mantelzorger onbewust en loyaal zijn zorgdoel open. Vervolgens kunnen
anderen, beleidsmakers én andere familieleden, overheden en zorgverleners er de
bal van verantwoordelijkheid onverminderd inkoppen.
Zwaar maar mooi. Zwaar maar mooi betekent opoffering en opoffering wordt vanuit
de christelijke cultuur, waarin het diep moralistische volk van Nederland zijn
wortels heeft, ook als iets moois gezien. Maar is opoffering wel zo prachtig?
Een voormalig verpleegkundige, die lezingen houdt over de situatie van
familieleden van bewoners van verzorgings- en verpleeghuizen, zei tegen mij:
'Het leven is zo'n kostbaar geschenk, dat je het gewoonweg niet mág opofferen
voor een ander.'
Als opoffering voor een ander geen deugd, maar een zonde tegen jezelf zou zijn -
en zo denken we daar tegenwoordig toch over - wie mag dan een ander tot
opoffering brengen of zelfs dwingen? Hoe ethisch is dat?
Deze vraag werd niet gesteld in de jaren zeventig, tachtig, toen de recessie de
overheid noodzaakte de koorden van de zorgbeurs aan te trekken door bijvoorbeeld
verzorgingshuizen te sluiten. Op zich was dat niet zo erg. Vele ouderen wilden
ook toen al liever zo lang mogelijk thuis blijven. De reden waarom velen zich
alvast opgaven voor een bejaardenhuis, was de grote kans dat zij niet meer
zouden worden toegelaten als ze echt zorg nodig hadden. 'Ze nemen je niet meer
als je te slecht bent geworden,' heette het. Anderen gingen graag. Zij baadden
zich in de luxe dat zij onafhankelijk waren en dat er toch voor hen werd
gezorgd.
Het naoorlogse beleid om kerngezonde ouderen massaal op te nemen in verzorgings-
en verpleeghuizen was in wezen voor een groot deel bedoeld om huizen voor
gezinnen vrij te maken. Maar dit bleek te duur, zoals de totale collectieve
sector te duur werd. Verzorgingshuizen werden gesloten en in 1987 woonden weer
net zoveel ouderen in bejaardenhuizen als in 1965. Het sluiten van
verzorgingshuizen is verder doorgegaan tot op heden. Wie nu nog opgenomen wil
worden, moet echt krakkemikkig zijn.
Echter, door de dwang van die jaren om tijdig opgenomen te worden is
waarschijnlijk het blijvende foutieve beeld ontstaan dat de Nederlanders slecht
voor hun ouderen zorgden, ze het liefste de deur uit deden. En dat was niet
waar.
Een grootschalig onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, gepubliceerd
in 1994 en dus voorbereid en ook gebaseerd op vroegere onderzoeksgegevens, geeft
aan dat ook toen Nederland voor zijn ouderen zorgde. Ook toen waren vooral de
partners zeer zwaar belast: 70 procent. Van de overige zwaar belasten,
voornamelijk kinderen en daarvan voornamelijk dochters - de schoondochters waren
niet meegenomen in dat deel van het onderzoek - was toch nog 30 procent zwaar
belast. In totaal gaf 11 procent van de bevolking regelmatig zorg én over
langere tijd én volgens een vast patroon.
De onderzoekers trokken de conclusie dat niet een afnemend aanbod aan deze
zogenaamde informele zorg in de toekomst problemen zou opleveren, maar een
afnemend aanbod aan professionele zorg. Deze prognose is later bewaarheid
geworden. Timmermans en zijn medeauteurs, die in 2003 het volgende grote
onderzoek naar mantelzorg publiceerden, concluderen onder meer: 'Het aanbod aan
AWBZ-gefinancierde hulp is jarenlang achtergebleven bij de toegenomen vraag naar
hulp.' Zij voegen eraan toe: 'Het verschil is voor rekening van de mantelzorger
gekomen.'
Overheid en beleidsmakers waren daar 25 jaar geleden en zijn er nu nog steeds
blind voor. Er moest minder geld aan zorg besteed worden en dus moest de
omgeving de zorg of een groter deel ervan overnemen. Ondanks de waarschuwingen
van onderzoekers als Duijnstee, Knipscheer, Braam, van der Lyke, werd consequent
over het hoofd gezien dat de geboortebeperking had geleid tot kleine gezinnen,
dat aanzienlijk meer vrouwen buitenshuis werkten en dat dat aantal zou toenemen,
dat mensen ook in de jaren tachtig niet meer hun hele leven in hetzelfde dorp of
in dezelfde stadswijk bleven wonen. Ook de buurvrouw had haar eigen zorgen voor
kinderen en later haar eigen ouders. Dat ouderen steeds ouder worden en daardoor
langer hulp nodig hebben. Dat de zeer ouden door functieverlies meer
handreikingen nodig hebben.
In vele studies en prognoses werd gewezen op het gevaar van een te optimistisch
beeld van het potentieel aan zogenaamd informele zorg. Dit waren waarschuwingen
gebaseerd op de werkelijkheid. De werkelijkheid, ofwel dat zo vaak onderschatte
microniveau. Maar op macroniveau werd de toekomst uitgestippeld aan de hand van
een ideologie die aanvankelijk intern werd gehanteerd en waar later een hele
propagandamachine aan werd opgehangen.
Die van de mantelzorg.
Als symbool ervoor werd de heilige Martinus gevonden, die zijn mantel doormidden
sneed en de helft gaf aan een kleumende bedelaar. Mantelzorg zou het fundament
worden van de zogenaamde 'zorgzame samenleving'. Volgens deze ideologie zouden
kinderen, familie, vrienden, kennissen en buren de handen ineenslaan om
gezamenlijk een mantel van zorg over de zwakkeren te leggen. Omdat uit onderzoek
was gebleken dat het wel goed zat met de bereidheid van Nederlanders om voor hun
naasten te zorgen, zou de voedingsbodem voor de boodschap vruchtbaar zijn. En,
hoe meer bereidheid, hoe minder betaalde zorg er nodig zou zijn. Terwijl
vervolgens de professionele zorg werd ingekrompen, is de misvatting dat de
Nederlander slecht voor zijn ouderen zorgt, nooit actief bestreden.
Er werd geïnventariseerd hoeveel beroep ouderen die thuis bleven wonen zouden
doen op de professionele thuiszorg. Uit onderzoek, onder meer onder Haarlemse
ouderen bleek dat deze niet meer thuiszorg vroegen dan zij echt nodig hadden.
Omdat iemand die bijvoorbeeld én huishoudelijke én persoonlijk zorg nodig
heeft meerdere verzorgenden per dag over de vloer zou krijgen, werd in
veldonderzoek geëxperimenteerd met schema's waarin één bepaalde mantelzorger
een centrale rol kreeg toebedeeld. Deze centrale mantelzorger moest tevens in
kaart brengen op wie in de naaste omgeving hij of zij een beroep zou kunnen
doen. Dit zijn inmiddels standaardvragen geworden bij de indicatiestelling en
daar is het niet bij gebleven. Gehandicapten wordt aangeraden om eerst in hun
omgeving rond te kijken of iemand iets voor hen wil doen. Volgens de meest
recente regels voor indicatiestelling voor zorg thuis wordt geïndiceerd wat de
familie dient te doen. Als de buurvrouw altijd soep heeft gebracht, wordt dit in
de computer gezet, waarmee zij wordt geacht soep te blijven brengen. Zo wordt
burenhulp geformaliseerd. Tenzij de buurvrouw krachtig protesteert. Maar de
meeste buurvrouwen kunnen zoiets niet opbrengen. Ik hoorde van een vrouw die
jarenlang dagelijks bij haar buurvrouw ging kijken of alles goed ging. Eindelijk
ging ze eens twee weken met vakantie. De thuiszorg zou het overnemen. Toen ze
terug was, bleek de thuiszorg nooit te zijn geweest. Buurvrouw gaat niet meer
met vakantie.
Terug in de tijd: om een scheiding aan te brengen tussen naastenzorg en betaalde
zorg werd aanvankelijk gewerkt met de termen 'formele' en 'informele' zorg. De
informele zorg door huisgenoten en omgeving werd op de eerste plaats gezet.
Daaraan aangepast - en niet andersom - werd de zogenaamde formele zorg, zoals
thuiszorg, dagopvang, vervoer en dergelijke. Zo is een kunstmatige
arbeidsverhouding ontstaan, waarbij de betaalde prof de onbetaalde mantelzorger
aanstuurt.
Men was zich er tijdens dit proces wel van bewust dat voor vele mantelzorgers de
zorg te zwaar zou kunnen zijn. Niet alleen door belasting door derden, maar ook
omdat tal van mantelzorgers zorgen tot zij erbij neervallen, om hun beminde maar
onder hun vleugels te kunnen houden. Vanuit deze omstandigheid, maar ook omdat
er zo min mogelijk zorg thuis mocht worden geboden, dienden medewerkers van de
thuiszorg op te letten of huisgenoten of andere mantelzorgers onder het juk van
de zorg door dreigden te gaan. In zulke gevallen kon tijdelijk meer
professionele zorg worden geleverd. Of de patiënt kon tijdelijk opgenomen
worden in een verpleeghuis. Zoiets heet tegenwoordig respijtzorg. De als
vanzelfsprekende inschakeling van de familieleden thuis wordt momenteel
nagevolgd in vele verpleeghuizen. Niet alleen is al onderzocht wat familieleden
doen, maar ook in welke mate zij kunnen worden ingezet en belast. De eerste
plastic schortjes zijn al uitgedeeld aan betrokken mantelzorgers die regelmatig
helpen met voeren; zometeen worden zij ingeroosterd. Ook bij andere vormen van
zorg wordt de mantelzorger steeds meer geforceerd: er bestaan vormen van
dagopvang voor dementerenden waarbij de inzet van een mantelzorger een
voorwaarde is. Zulke ontmoetingscentra worden momenteel extra gepropageerd en
onderscheiden.
Is de mantelzorger een sterke man of vrouw, hij of zij is tevens een formidabele
sponsor. Niet voor niets wordt vaak opgemerkt dat mantelzorg kostbaar, ja,
onschatbaar is. Dat is letterlijk zo. Volgens schattingen zou de mantelzorg de
overheid aan zorg 7 miljard euro per jaar besparen, maar ik denk dat dat veel
meer is. Mantelzorgers leveren 80 procent van de zorg. Van de mantelzorgers
tussen de 16 en 65 jaar heeft 17 procent minder gewerkt dan zij gewoon waren of
wensten. Vooral degenen die drie maanden of langer acht uur per week of meer
hielpen, leverden werk, dus geld, dus pensioenopbouw in. Deze 200.000 personen
derfden gezamenlijk dik 1 miljard euro, waarvan de helft aan gederfd inkomen.
Alle mantelzorgers in Nederland gezamenlijk gaven tezamen in 2001 830 miljoen
euro uit aan de zorg. Zeven procent van hen kwam hierdoor financieel in de
problemen. Geschat werd dat het aantal mantelzorgers dat behoefte heeft aan
financiële compensatie ligt tussen de 15.000 en 150.000.
Er is alle reden om aan te nemen dat vele mantelzorgers, juist door hun
liefdewerk, de arme ouderen van morgen gaan worden. Zeker degenen die door de
combinatie van zorg en werk in de WAO raakten. Zeker ook degenen, die werk,
inkomen en pensioenopbouw hebben moeten inleveren uit
verantwoordelijkheidsgevoel en liefde voor hun naaste. Vele mantelzorgers komen
nu voor de taak te staan om dáár bij te springen waar ouderen niet meer
rondkomen. Zoals daar zijn: de dure euro, de verhoging van de eigen bijdrage
voor thuiszorg - in 2004 werd twee keer zoveel aan eigen bijdragen betaald als
in 2003 - de in 2006 verwachte inkrimping van het persoonsgebonden budget,
waarmee de hulpbehoevende zelf zorg mag inkopen, de verhoging van verzekerings-
en AWBZ-premies en de verhoging van allerlei eigen bijdragen. Zelfs de
grafkosten lopen stevig op. De kostenstijgingen gaan cumulatief. Er zijn
momenteel ouderen met een goed pensioen, die in rap tempo hun huis aan het
opeten zijn, veel eerder dan zij hadden verwacht. De welgedane ouderen, die nog
jaren lang zorgeloos verder 'zwitserleven', zijn slechts een happy few. Met name
voor degenen zonder een eigen huis is er soelaas in de vorm van bepaalde vormen
van bijstand. Maar deze vorm van ondersteuning slaapt als Doornroosje achter een
ondoordringbare haag van bureaucratie en communicatietechnologie. E-mail,
internet, keuzemenu's, al die toegangspoorten tot informatie kunnen ouderen niet
vinden. Waar zij recht op hebben, weten zij niet. Ik kreeg een brochure van de
gemeente Amsterdam in de bus waarin een uitstekende opsomming stond van allerlei
vormen van lastenverlichting, maar een telefoonnumer of e-mailadres voor verdere
informatie was nauwgezet achterwege gelaten. Dat schiet niet op.
En dan zijn er nog allerlei regelingen waarvan ouderen het fijne niet snappen
omdat zij het beleidsmatig jargon niet begrijpen. Anderhalf jaar geleden stelde
de Thuiszorg een brief op over de verhoging van de eigen bijdrage. De sluiertaal
waarin de brief was gesteld joeg duizenden cliënten zoveel angst aan dat zij de
Thuiszorg maar opzegden. Voor velen is dat zo gebleven, omdat zij de hogere
eigen bijdrage toch al niet meer kunnen betalen.
Door het afnemen van zorg maar ook door de toenemende bureaucratie en het
labyrinth van de huidige communicatie zullen hulpbehoevenden, nog meer dan
voorheen, een beroep moeten doen op anderen. Steeds meer wordt verwacht van de
mantelzorger.
Wie vraagt hoe en of de mantelzorger dit kan opbrengen? En voor welke
mantelzorger de mantel der liefde nu al een loden last is geworden?
Degene die het vraagt, krijgt onvermijdelijk te horen dat het nu eenmaal zo
moet. Dat de vergrijzing al genoeg opsoupeert en zulks in de toekomst nog meer
gaat doen. Minder professionele zorg en dus meer mantelzorg zijn voor de hand
liggende maatregelen. Punt uit. Zegt het voort.
En iedereen zegt het voort. De een schrijft de ander na. Maar wat is de
waarheid? Heeft die blote keizer, die daar over dat rode kleed schrijdt, wel
kleren aan?
De gerontologen Braam en Westendorp behoren tot de jongetjes die het anders
zien. Volgens Braam hebben we weliswaar een grote categorie jongouderen, zo
tussen 65 en 70 jaar, maar al na het 65e jaar neemt de kans op sterven sterk
toe; van deze 65+'ers overlijdt 10 tot 15 procent in zes jaar tijd. Binnen
duurzame relaties van mensen van 60+ is twintig jaar later driekwart van de
partners overleden. De afgelopen dertig jaar is het aantal 65+'ers toegenomen
van 10 tot 13,5 procent en ondanks deze, zij het minieme, toename hebben zich
geen rampen voltrokken en is ons land zelfs welvarender geworden.
Veel problemen en dus kosten zouden pas ontstaan op hogere leeftijd en die
treffen, aldus Geert Braam, dus maar weinigen. Volgens zijn berekeningen haalt
van alle ouderen 60 procent niet eens de 85. 'De rest is dus al hartstikke
dood,' zo kalmeert Braam de verontrusten. Braam is niet de enige die ervan
uitgaat dat de keizer in plaats van een broek een mystificatie draagt. Volgens
de Leidse hoogleraar ouderengeneeskunde Rudi Westendorp kan slechts een kwart
van de kostenstijging binnen de geneeskunde op conto van de vergrijzing worden
geschreven: 'De rest wordt veroorzaakt doordat iedereen steeds duurdere
behandelingen wil,' zegt hij, 'en kijk je verder, dan gaat slechts 6 procent van
de AWBZ naar de ouderen. Degenen die veel aanvullende zorg en hulpmiddelen nodig
hebben, de 80-jarigen dus, maken maar 3 procent van de bevolking uit. Ik denk
zelf dat ouderen steeds minder kosten, maar wel veel meer premies inbrengen.'
De vergrijzing wordt als voornaamste kostenpost binnen de AWBZ beschouwd. Maar
de AWBZ wordt bijvoorbeeld ook zwaar belast doordat mensen eerder uit het
ziekenhuis worden ontslagen en vervolgens op kosten van de AWBZ revalideren of
thuiszorg krijgen. Het is maar hoe je het probleem wenst te bekijken.
Door de beslissers en geldverstrekkers wordt onderwijl nauwgezet bekeken hoeveel
'financiële ruis' er nog uit de zorg kan worden gehaald. Maar de grootste
financiële ruis wordt naar mijn mening veroorzaakt door het geldverslindende
meten en regelen en controleren binnen de zorg. Dit neemt groteske vormen aan.
Thuiszorgenden scannen hun aankomst-, vertrek- en reistijd. Hebben zij geen scan
dan moeten zij na drie uur ramen lappen en stofzuigen opschrijven dat zij ramen
hebben gelapt en gestofzuigd. Er zijn nogal wat thuiszorgenden die daarom zijn
weggelopen. Ze zeggen dat het zonde is om zoveel administratie te doen terwijl
je daar per dag twee cliënten extra voor zou kunnen helpen. Ze gaan ook weg
omdat ze zich vernederd voelen, net als de wijkverpleegkundigen, die in de
massale reorganisatie van de Thuiszorg in de jaren tachtig massaal zijn
weggelopen, omdat de professionele autonomie, waardoor zij hun liefde in hun vak
konden uiten, werd weggecontroleerd en weggefuseerd. Binnen de
indicatieinstellingen wordt, zo vernam ik, als laatste maatregel de
indicatiestellers afgeraden om zelf te denken. Het werk wordt op lager niveau
deels overgenomen door lagere administratieve krachten. Deze mogen alleen nog
vragen wat de klant denkt nodig te hebben. Als mevrouw Jansen alleen
huishoudelijke hulp vraagt en vergeet dat haar zwachtels verschoond moeten
worden, zit mevrouw Jansen aan het einde van de week dus met zeer vuile
zwachtels. Dus zal er opnieuw geïndiceerd moeten worden. Steen en been wordt
geklaagd over het leger managers binnen de zorg, die degenen die het echte werk
doen op de huid zitten. Als er misstanden binnen de zorg voorkomen, dan zijn
deze te wijten aan de bureaucratie en aan onvoldoende kennis van de werkvloer.
Ervan uitgaan dat iedere manager alles kan managen, heeft alles met economie te
maken en niets met zorg. Want zorg is geen product.
Bureaucratische misstanden binnen de zorg zijn voor een groot deel te wijten aan
het feit dat het tayloriaanse principe van de arbeidsdeling binnen de zorg is
gebracht. Het meten, sturen en controleren om op de meest efficiënte wijze tot
een product te komen, is een onverbrekelijk en onvermijdelijk deel geworden van
de industriële omgeving en de dienstensector. Dat is een goede ontwikkeling.
Echter, op zijn beurt is zorg een onderdeel van het procesmanagement geworden
waarin integrale aanpak, community-interventies, partnerships en ketenzorg de
samenwerkingsprocessen moeten realiseren, waarin verpleegkundige benaderingen
stapsgewijs worden gestructureerd in verpleegkundige processen met
verpleegdoelen met toetsbare uitkomsten. Hierbij behoren hardware en software,
adviezen en ontwerpen, vergaderingen, studies, besprekingen, cursussen,
congressen. Meet- en regelsystemen die de zorg beheersen kun je eindeloos verder
en verder uitbreiden. Je kunt steeds meer modules aan een programma hangen,
steeds meer vragen stellen, die beantwoord moeten worden en weer gecontroleerd.
Het resultaat is een zenuwslopende berg administratie. Er zijn medisch
specialisten die erover klagen dat de administratie hun een kwart van hun tijd
kosten.
Maar zorg is geen product. Ik geef u een simpel voorbeeld: de echte
thuisverzorgende kijkt, als zij de keuken schoonmaakt, even in de ijskast om te
zien of de 79-jarige mevrouw Jansen wel genoeg eet. Maar omdat zorg als product
wordt neergezet, gaat zij buiten haar boekje, omdat immers gedefinieerd is dat
zij de keuken moet schoonmaken en moet stofzuigen en dat in de koelkast kijken
niet tot haar afgebakende taak behoort. Dan moet er iemand anders komen om in
die ijskast te kijken. Zo wordt de ketengedachte als vanzelf werkelijkheid op
microniveau.
De bureaucratie voert ons een geldverslindende toekomst binnen, waartegen geen
mantelzorger het kan opnemen. Ik las dat binnen tien jaar een op de vier
werknemers in Nederland in de zorg zou werken. Hiermee wordt gesuggereerd dat
het zou gaan om zuivere zorgtaken. Maar uitgaande van de huidige werkelijkheid
zal de bureaucratie zoveel menskracht vergen dat er nooit genoeg zijn voor de
zorg. Volgens een onderzoek van het Erasmus mc besteden verpleegkundigen slechts
25 procent van hun tijd aan het primaire proces, dus aan het verplegen.
Driekwart van de tijd gaat op aan een beetje wassen en het vervoer van patiënten
naar een andere afdeling, maar het gaat vooral op aan de administratie. Het
lijkt logisch dat hierdoor steeds meer verpleegkundigen nodig zijn, die op hun
beurt ook weer achter de computer plaats moeten nemen. Maar daarvoor wordt dan
nu de automatiseringsverpleegkundige opgeleid. Hij of zij zal een goede boterham
kunnen verdienen, wanneer de functiegerichte indicatie waarop momenteel de
verzorgings- en verpleeghuizen zich voorbereiden, wordt ingevoerd. Kregen
voorheen de bewoners van verzorgings- en verpleeghuizen voor een vast bedrag
zorg, zo meteen zal elke handeling van afwassen tot kousjes aantrekken, van bed
openslaan tot douchen, apart worden geïndiceerd en gecontroleerd en
geadministreerd. Dit leidt tot nog meer bureaucratie en tot nog meer
automatiseringsverpleegkundigen. Zo kom je wel aan een op vier Nederlanders. Zo
kom je wel aan de inschakeling van de onbetaalde mantelzorger, ook binnen de
instelling die het echte werk gaat doen zoals voeren en billen afvegen.
En troosten, nog meer dan anders, omdat de afhankelijke mens gereduceerd dreigt
te worden tot een biokip in een ketenindustrie. Dit overigens met alle respect
en meeleven voor die kip.
Onderwijl dendert de promotietrein voor de mantelzorg steeds sneller voort. Het
zou interessant zijn om de subsidiestromen van rijk, provincies en gemeenten en
banken voor de promotie van mantelzorg eens op te tellen. De ene campagne na de
andere volgt elkaar op met motto's als: 'Ik ben mantelzorger, jij ook?', 'Laat
de mantelzorger niet barsten'. Recent wordt de aandacht op jeugdige
mantelzorgers gericht. Alleen in Overijssel is onlangs al 250.000 euro
uitgetrokken voor een film en lespakket over jonge mantelzorgers.
Bij al deze campagnes horen organisaties en platforms, enquêtes en nota's en
vergaderingen en congressen. We hebben het hier alleen nog maar over de
zogenaamde belangenbehartiging. Deze belangenbehartiging is nauw verstrengeld
met de zogenaamde mantelzorgondersteuning, waarvoor dit jaar 30 miljoen euro is
uitgetrokken en dat wordt steeds meer want de steunpunten mantelzorg
vermeerderen zich stevig. Het lijkt erop alsof deze ondersteuning een vorm van
belangenbehartiging is. Niets is minder waar. De steunpunten verwijzen door,
bemiddelen af en toe voor een vrijwilliger, die een halve dag komt oppassen en
bieden lotgenotencontact. Beter ware het het niet zo ver te laten komen dat een
mantelzorger van uitputting en depressie een praatgroep nodig heeft om uit te
huilen en opnieuw te beginnen, hoe afgemat ook. De zwaar gesubsidieerde
mantelzorgondersteuning blijkt er in de praktijk te zijn om de mantelzorger aan
de gang te houden.
Ik kom hier op mijn punt dat naastenzorg, de zorg die wij elkaar bieden zonder
daarbij neer te vallen, nooit mantelzorg genoemd had mogen worden. Dit
natuurlijke gebeuren had nooit geïsoleerd mogen worden. Sinds dat is gebeurd,
is het geformaliseerd, in hokjes gestopt, moesten er onderzoeken worden
gepleegd, rapporten geschreven, nog eens rapporten geschreven, werden er enquêtes
gehouden, congressen georganiseerd, enfin, u kent het rijtje.
Sinds de term mantelzorg is bedacht, is van naastenliefde een product gemaakt.
En een duur product ook, waarvan de mantelzorger niet profiteert. Over het hoofd
van de mantelzorger heen wordt goed verdiend. Hijzelf is er geen cent beter van
geworden.
Zijn er dan geen zinvolle oplossingen? Is er dan niets te doen? Ja, we hebben
bijvoorbeeld het zogeheten persoonsgebonden budget, waarmee patiënten - en dus
hun mantelzorger - zelf zorg mogen inkopen. Maar dit PGB staat op de tocht; er
zou minder geld voor komen. Een probleem van dit PGB is bovendien dat de
loonadministratie en urenverantwoordingen die hierbij horen voor vele mensen
niet te doen is, ook niet voor hun mantelzorgers. Een goede ontwikkeling naar
mijn smaak is de splinternieuwe opleiding voor mantelzorgmakelaar, die
daadwerkelijke hulp geeft bij de gevechten tegen de bureaucratie, bij het vinden
van voorzieningen in natura of financieel. De mantelzorgmakelaar verwijst niet
door, maar springt daadwerkelijk in.
Er zijn voorstellen om de mantelzorger te gaan betalen. Dit zal haken en ogen
hebben: hoeveel moet je de mantelzorger geven en wat mag je ervoor terug
verwachten? Voor hoeveel of hoe weinig geld komt de mantelzorger in dienst van
de overheid. Er zijn bijvoorbeeld bedragen genoemd van 8 tot 15 euro. Bruto per
uur voor zwaarbelaste mantelzorgers. Wordt hiermee het paard niet achter de
wagen gespannen: zo weinig geld voor zoveel werk, ook nog zonder een
arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioensopbouw? En zullen mannen en
vrouwen die ten behoeve van de zorg werk en inkomen inleveren blij zijn met zo'n
demotie, financieel en sociaal? Er is ook voorgesteld de mantelzorger minder
AWBZ-premie te laten betalen. Maar hoeveel studies verder weten we eindelijk
hoeveel minder dat zou moeten zijn? En wie controleert de mantelzorger? Nog meer
bureaucratie?
Langdurig oudere werklozen zouden als zij drie jaar vergeefs hebben
gesolliciteerd, hun uitkering mogen behouden mits zij 20 uur per week aan
mantelzorg of vrijwilligerswerk besteden. Zij zouden ook recht hebben op 65
vakantiedagen per jaar. Dit geldt voor diegenen die al zoveel mantelzorg of
vrijwilligerswerk doen, dat een baan contraproductief zou werken.
Er zijn ook cynische oplossingen. Ik las over een Europees gesubsidieerd project
volgens welk mantelzorgers, nadat de zorg niet meer nodig is, kunnen worden
omgeschoold tot freelance thuiszorgenden. Dit geldt ook voor degenen die juist
door de zorg niet of niet meer aan een volledige baan toekomen of door hun
zorgtaken geen passend werk kunnen vinden. Zij kunnen als thuisverzorgende 32
euro bruto per uur gaan verdienen. Over sociale voorzieningen wordt in de
brochure niet gerept.
Nog even terug naar David van der Sluis. Hij wil geen geld, hij wil het
volwassen kind van zijn moeder zijn en zo het zo gezellig mogelijk maken voor
hen beiden. Hij wil niet bang zijn dat als hem iets overkomt zij letterlijk ligt
te rotten, hij wil niet elke avond aan haar denken, hij wilde zijn eigen
pensioen opbouwen, meedoen in de maatschappij.
Mantelzorgers willen hun baan niet kwijt, ze willen geen demotie. Ze willen niet
nog meer gestuurd worden door de overheid. Mantelzorgers boden het kabinet
enkele maanden geleden een petitie aan: ze wilden 50 miljoen euro om af en toe
vrij te nemen, meer professionele hulp te krijgen en daardoor te voorkomen dat
zij hun baan moeten opgeven. Dat willen ze.
Ik sprak over al deze punten met enkele mantelzorgers. 'Ach kom, wat nou
mantelzorgmakelaar,' zeiden ze, 'vroeger kwam de wijkverpleegster. Die keek wat
nodig was en haalde er desnoods de sociaal werkster bij. Die sprong in. En als
wij nou gewoon zelf geld krijgen, zodat we de was, waar we niet aan toekomen, de
deur uit kunnen doen en de ramen kunnen laten lappen, een tuinman kunnen laten
komen en als wij ons gederfde inkomen kunnen laten aanvullen tot 100 procent,
dan ben je een heel eind. En natuurlijk meer professionele zorg. Dan kun je dat
'mantel' weglaten.
Inmiddels heeft eenderde van de huidige mantelzorgers al geen eigen deel van
leven meer. Hoe zwaar krijgen de volgende het? Vier op de tien ouders met
minderjarige kinderen hebben ook nog een hulpbehoevende ouder of schoonouder.
Hoe vroeg begint het zorgen en hoe lang duurt het?
Het tij moet gekeerd. De geldstromen moeten verlegd. Het grootscheeps verdienen
aan de mantelzorg zou moeten worden ingewisseld tegen gerichte zorg. Omdat
macro-economie een zonde kan zijn tegen de individuele menselijkheid, moeten
beleidsmakers een sociale dienstplicht krijgen, zodat zij weten wat er op
microniveau aan de hand is.
En de veelkoppige draak van de bureaucratie moet onthoofd, want hij zal onze
maatschappij uiteindelijk opeten en hij begint met de meest weerlozen en de
sterksten: de hulpbehoevenden enerzijds en anderzijds diegenen die de
verantwoording voor de zorg op zich nemen.
Maar toch, als je de draak in de ogen kijkt, kun je hem verslaan. Het wachten is
nu op de dappere, slimme Joris. Hij gaat het moeilijk krijgen. Hij zal geëerd
worden.