Lezing ter gelegenheid van de aanbieding van het Jaarboek van Brighthouse Management b.v. te Helvort, voorjaar 1999

Vreemd genoeg is van de bedrijvers en verkopers van techniek nooit gevraagd om, net als farmaceuten, de consequenties van hun producten inzichtelijk te maken voor niet-technici.

Brighthouse heeft mij gevraagd om wat relativerende kanttekeningen te maken bij uw vakgebied. Dat is mij misschien wel gevraagd omdat ik als wetenschapsjournalist met als specialismen informatica, energie en medisch alle vorderingen der techniek met diep wantrouwen bezie. Dat wantrouwen komt waarschijnlijk voort uit een soort nukkigheid. Al die lofzangen op Internet, het gemak van de automatische koppeling van bestanden, het gelukzaligmakende van chippen, de dwangmatigheid van die lofzangen ervan doen mij reageren als de honden van Pavlov: als er een bel ging, sloegen zij, geprogrammeerd als ze waren, aan het kwijlen. Wat mij betreft, bij lofzangen op producten van de automatisering, sla ik rap aan het relativeren. Zo'n product kan wel mooi zijn en is ook vaak verbazend, maar in de blijkt steeds weer dat het niet alleen belangrijk is wat de technicus bedenkt, maar maar nog belangrijker wat hij èn de gebruiker ermee doet. En dat kan gek uitpakken. Een huiselijk voorbeeld gaf mij een verwarmingsmonteur. De c.v. in mijn spiksplinternieuwe huis leverde problemen op. Maar geen nood, de monteur van de fabrikant bleek in het bezit van een klein p.c.tje, dat hij aansloot op de ketel. Zo kon hij het geheugen van de ketel raadplegen op wat met de ketel was gebeurd en de verdere informatie toevoegen. Kennis is macht, niewaar? Aanvankelijk meende ik dat het een mooie toepassing was. Na het zestiende bezoek van diverse vakmensen meende ik dat het geheugen van die ketel inderdaad hard nodig was.
Dit relativeren hielp mij om niet te exploderen van ergernis na het zoveelste bezoek. Immers, relativeren is de beste manier om de emoties in de hand te houden, die opgewekt worden door overspannen beloften. En de technologie heeft daar patent op.

'Alles is relatief', zegt de geleerde. Deze erkenning gaat misschien vaak op in de natuurwetenschappen, maar kan, overgebracht op de menselijke verhoudingen, zijn doel voorbijschieten en zelfs tegen zichzelf werken. Wanneer relativeren wordt gebruikt om de overschatting van kennis, technologische toepassingen of ook wel algemene toestanden tegen te gaan, kan het heilzaam werken. De uitdrukking: 'geluk is ook niet alles' is in dit verband dan een uitstekend voorbeeld en 'techniek is niet zaligmakend' een ander. De ultieme kunst van relativeren wordt naar mijn idee uitgedrukt in de Hollandse zegswijze: 'nou, en?'. Wie deze Hollandse uitdrukking diep tot zich laat doordringen, wordt bevangen van een sterke, new age achtige, innerlijke rust, waarin oosterse klankschalen het bewustzijn tot stilte brengen.

Dat is mooi, maar je komt er niet ver mee, want het ultieme relativeren is niet alleen een antwoord op teleurstellingen, ontstaan door te hoge verwachtingen. Relativeren kan zelfs de oorzaak zijn van pas later ontdekte verkeerde bijverschijnselen, die soms leiden tot wantoestanden. Dergelijke wantoestanden hadden zonder relativeren, maar met behulp van gegronde werkelijkheidszin misschien geheel of gedeeltelijk voorkomen kunnen worden.
Als je de eventuele nadelige gevolgen van toepassingen maar stevig wegrelativeert, dan haal je als vanzelf het paard van Troje naar je toe. Een schoolvoorbeeld hiervan was de uitspraak begin tachtiger jaren van een Nederlandse staatssecretaris, aan wie werd gevraagd welke consequenties het koppelen van bestanden met persoonsgegevens had. Hij omschreef koppelen relativerend als 'uitwisselen'. Koppelen van persoonsbestanden was eigenlijk een soort van ruilen: als de belasting uw aanslagnummer aan de bevolkingsadministratie van uw woonplaats zou aanbieden, dan zou zij van uw gemeente gegevens over bijvoorbeeld de huurwaarde van uw huis in ruil krijgen. U weet wel: een soort kwartetten eigenlijk.
Nu, daar kon toch niemand wakker van liggen en bijna niemand heeft er nadien echt van wakker gelegen. Koppeling van bestanden was mogelijk, aantrekkelijk, een prima bestuurlijk instrument en dus niet tegen te houden. Je kwam vanzelf wel achter de nadelen. Het ging daarbij uiteindelijk net als inspraakprocedures in infrastructurele werken: op het moment dat de omwonenden worden uitgenodigd, zijn de eerste beslissingsronden al gepasseerd. Het is in Nederland uiteindelijk te danken aan enkele omstanders als Holvast en Kuitenbrouwer, dat wij, wanneer wij door onwettige verknoping van bestanden of door gegevensopslag buiten de wil van de bewuste persoon iemands privacy schenden, wij in elk geval weten dat het verboden is. Dat wij nu al lang niet meer weten waar allerlei persoonlijke gegevens over ons opgeslagen liggen en van welk adres naar welke andere computer zij zijn doorgesluisd is dus eigenlijk alleen maar een onprettig bijverschijnsel. De enige troost voor ons is een pragmatische relativering, bijna religieus getint: wie in God gelooft misdraagt zich toch ook wel, maar weet in elk geval dat hij iets verkeerds doet.

De uitholling van onze privacy, waar wij in deze tijd, nu al vele inspraakronden zonder ons zijn gepasseerd, mee te maken hebben, werd aanvankelijk cynisch gerelativeerd: 'Privacy betekent gordijnen toe, telefoon af en deur dicht en alles is in orde', zoals een kennis van mij, die in de automatisering zat, het uitdrukte. Van de zijde van de bevolking werden ze ook gerelativeerd met een stralend soort argeloosheid, waar een denkend mens kiespijn van krijgt. De woorden: 'ik heb niets te verbergen' galmen nog steeds na.
Maar uiteindelijk hebben al die relativeringen het mogelijk gemaakt dat u en ik in principe van moment tot moment te volgen zijn. Uw betaalpas en GSM-telefoon zijn daarbij betere verklikkers dan een satelliet, die lang niet zo ver kan inzoomen als ons wel wordt beloofd. Dat luciferdoosje dat door een satelliet ontdekt wordt is immers een overdrijving van reclamelieden. Door alleen maar onze betaalpassen en creditcards te gebruiken, waar dan ook, trekken wij zelf een spoor achter ons aan en als in de toekomst, om veiligheidsredenen onze pincode of handtekening wordt vervangen door onze duimafdruk of oogopslag kunnen we zelfs niet meer ontkennen dat wij het waren en niet een dief, die op een zaterdag bij Albert Heijn in de Kerkstraat boodschappen deden en zegeltjes kochten, vervolgens tankten bij Shell op de Dorpsweg en later op de middag 40 km. verder in de kroeg verzeilden.
In Terzijde van Vrij Nederland stond eens een aardige opmerking: het gemeentelijk waterleidingbedrijf weet tegenwoordig precies wanneer de man van mevrouw Jansen een bad neemt. Daar is inmiddels nog aan toe te voegen: en als hij via GSM telefoneert weten wij of hij dat bad thuis neemt of bij zijn vriendin. Dit beeld wordt natuurlijk minder jolig, wanneer wij stilstaan bij de effecten van totale koppeling van persoonsgegevens in oorlogstijd. En denk dan nog niet aan wat er gebeurt als ons persoonlijk sofinummer met alle daaraan hangende toegangsnummers zou worden gewist. Wij zouden niet meer bestaan , waarmee natuurlijk nogmaals wordt bewezen dat ook wijzelf relatief zijn.

Relativeren is geen kwestie van onnadenkendheid. Maar de grens tussen relativeren en niet nadenken of niet willen nadenken is smal en heeft tegelijkertijd een groot niemandsland. Zo waarschuwt de Eindhovense hoogleraar Bertrand al enige jaren tegen de gevolgen van automatische koppeling van bestanden tussen producenten en toeleveranciers. Deze koppeling biedt weliswaar een snel informatieverkeer, maar zou anderzijds een gevaarlijke wederzijdse afhankelijkheid met zich meebrengen, onder meer wanneer de keuze voor een bepaald systeem dwingend kan worden opgelegd door bijvoorbeeld de Original Equipment manufacturer aan zijn toeleveranciers. In de Verenigde Staten is nu inmiddels een werkgroep opgericht, die onderzoekt of er een andere manier is voor communicatie, waarbij geen machtsmisbruik om te hoek kan komen kijken.
Bovenstaand voorbeeld is er weer een van het invoeren van een toepassing, omdat dat nu eenmaal kan en niet stilstaan bij de mogelijke nadelige gevolgen. Zoiets gebeurt heel vaak onbewust. Een voorbeeld van bewust voorbijgaan van de maatschappelijke consequenties van automatisering was het project Studiefinanciering, een uit de hand gelopen materialisatie van een in theorie slechts bruikbaar model, waarbij het droombeeld van totaalautomatisering werd nagejaagd.

Ik heb hier enkele voorbeelden gegeven van bijverschijnselen van de automatisering, die vanzelf optreden, wanneer wij de gevolgen maar voldoende relativeren. Natuurlijk zijn er ook bijverschijnselen, die automatisch de donkere zijde van de medaille vormen. Die je er gratis bijkrijgt, zoals bijvoorbeeld de voorliefde voor Internetten van een beminde partner. Bijverschijnselen kunnen overigens ook positief uitpakken: mevrouw Boonstra kon na haar ontvoering onder meer worden opgespoord omdat zij een GSM telefoon bij zich droeg; anderzijds maakt een mobiele telefoon het mogelijk dat je niets vermoedend wordt opgebeld door je aanrander, die op datzelfde moment al in je slaapkamer zit te wachten.
Een ander, niet te vermijden bijverschijnsel van al die communicatie over grote afstanden is het tweestrijdige gevoel van verbondenheid in verlorenheid. Je kunt dat zien aan het gedrag van niet functionele mobiele bellers, zoals sommige, vaak jonge, mensen, die de GSM gebruiken als wapen tegen de boze buitenwereld. Zij gaan dan bijvoorbeeld terwijl zij de perrontrappen aflopen als een wilde telefoneren en voeren belangrijke gesprekken als: ' Nee, heb je dat gezegd dan of had ik dat willen zien, ja je hebt gelijk ik ga nu even naar de drogist en hoe heette de dochter van madonna ook weer? Ja, ik loop nu langs de bloemenstal en heb je Edwin al gebeld?'
Internet, hèt informatie- en communicatiemedium van deze eeuw heeft zo ook zijn bijwerkingen. Bijvoorbeeld de wereldwijde verspreiding van virussen, het op afstand inbreken in en lamleggen van bestanden en als je Linda de Mol heet krijg je als vanzelf een pornosite op je naam.
Al deze groot en kleinschalige voorbeelden geven aan dat automatisering, net als een regulier ontwikkeld medicijn, bijwerkingen heeft. Soms zijn die bijwerkingen inherent, soms waren ze te vermijden geweest. Ze waren te vermijden geweest, als ze voorzien waren. En ze konden worden voorzien als ze niet waren weggerelativeerd vanaf het eerste begin. En, wie te veel relativeert, geeft uiteindelijk de macht uit handen.
'Tja', zeggen de directeuren, 'invoering van een nieuw systeem kost een hoop geld en zal in tijd natuurlijk weer uit de hand lopen. Maar wat moet je?' En geven de estafettestaf over aan de deskundigen. Niet voor niets spelen de grootste uit de hand gelopen automatiseringsklussen zich vooral af in de kantooromgeving en minder in de productieomgeving, waar immers technici aanwezig zijn om grip te houden op het verloop.

Eigenlijk is het onbegrijpelijk dat de farmaceutische industrie wettelijk verplicht is om de bijverschijnselen van haar medicijnen zowel in vitro, op proefdieren en klinisch uit te testen, om deze tenslotte voluit te vermelden bij het product. Nu zijn tot het in kaart brengen van de bijverschijnselen van technologie rond 1980/1990 wel pogingen gedaan. Technology Assessment heette deze bezigheid, waarmee menswetenschappers zich bij voorkeur bezighielden, maar de automatiseerders waren immers nu net met hun technologie, daarbij ondersteund door de marketiers, die hun vindingen de hemel in prezen en zij werden daarbij vaak aangedreven door het perpetuum mobile: geld=automatisering=macht.

Vreemd genoeg is van de bedrijvers en verkopers van techniek nooit gevraagd om, net als farmaceuten, de consequenties van hun producten inzichtelijk te maken voor niet-technici. Toch weet iedereen dat de techniek de mogelijkheid schept en het gebruik de problemen aan de dag brengt. Maar wat die problemen betreft, als daarover wordt nagedacht, start het relativeren. Van : 'je kunt niet alles vooruit weten', tot: 'we vinden er wel iets op'. En vaak heeft men gelijk, het millenniumprobleem blijkt minder dreigend dan het een jaar geleden nog leek. Voor de westerse wereld althans, maar in de derde wereld, waar veel meer wordt gewerkt met verouderde toepassingen, denkt men er anders over. Hoe dat zal uitpakken, daar vinden we niet zo snel iets op.
Hoe lastig ook en hoe onvoorspelbaar sommige toepassingen zijn, omdat hun ontwikkeling mede wordt bepaald door de maatschappelijke en economische ontwikkelingen, toch denk ik dat elke automatiseerder, elke technicus, meer zou moeten nadenken over de wijze waarop zijn producten zouden kunnen worden gebruikt en misbruikt. De vakbladen staan vol met voorbeelden. Uit een willekeurige Computable , die van 23 april, staan voorvallen vermeld, die bewijzen dat regeren vooruitzien is. Het Waterleidingbedrijf Midden Nederland moest een nieuw verbruikersinformatiesysteem hebben. Door veroudering en te late tests op Millenniumhoudbaarheid werd het uit de lucht gehaald, maar het nieuwe komt niet op tijd af.
Nog steeds is niet duidelijk of internetproviders verantwoordelijk zijn voor de inhoud van de informatiestromen, of dat zij alleen maar een soort doorgeefluik zijn en dit keer moet minister Korthals er in de Kamer zijn zegje over zeggen. Nog een voorbeeld: In Friesland heerst grote beroering over het feit dat geen van de overheidsinstanties weet hoe je digitale bestanden langer dan tien jaar moet beheren en dreigen belangrijke gegevens verloren te gaan. Omdat de problemen in de kiem werden weg gerelativeerd door gebrek aan belangstelling, ook aan de zijde van de bestuurders.
Natuurlijk zal ook dit alles wel worden opgelost. Rest toch de vraag of de automatiseerder, die alchemist, die van zand goud maakt en die met zijn toepassingen ons tijdsbeeld regeert, niet meer maatschappelijke verantwoordelijkheid zou moeten creëren, meer zou moeten vooruitzien, beter zou moeten anticiperen op de gevolgen van zijn wetenschap.
Sommige bijverschijnselen krijg je er nu eenmaal bij, andere zijn te voorzien, nog andere te voorkomen. Hoe ernstig of hoe pietluttig die bijverschijnselen zich ook mogen manifesteren, relativeren mag in geen van deze gevallen het antwoord zijn van de ordenaars, de geschiedschrijvers en informatiegeneraals van deze tijd.
Immers, macht vergt verantwoordelijkheidszin.

Kirsten Emous

Zie ook www.brighthouse.nl